De laatste trein
Het station lag er verlaten bij. De regen sloeg tegen de overkapping en een eenzame lantaarn flikkerde in de wind. Sophie trok haar jas dichter om zich heen en keek op de klok. Hoewel ze wist dat de trein pas over twintig minuten zou komen, voelde ze een onrust die ze niet kon plaatsen. Ze haalde diep adem en probeerde zich te ontspannen. Toch bleef er iets knagen.
Naast haar stond een man met een oude koffer. Zijn gezicht was grotendeels verborgen onder een brede hoed. Enerzijds straalde hij iets vertrouwds uit, anderzijds maakte hij haar nerveus. Hij bewoog nauwelijks, behalve wanneer hij af en toe met zijn vingers over het versleten handvat van zijn koffer gleed. Integendeel, het was bijna alsof hij bevroren stond in de tijd.
Sophie keek weg en richtte haar aandacht op de vertrektijden. Allereerst viel haar op dat haar trein vertraging had. Daarnaast bleek er een storing op het traject te zijn, en vervolgens werd omgeroepen dat er mogelijk bussen zouden worden ingezet. Bovendien zag ze op het bord dat de laatste trein richting haar bestemming geschrapt was. Tot slot begreep ze dat ze geen andere keus had dan te wachten.
Ze voelde een rilling over haar rug lopen. Eerst probeerde ze zichzelf wijs te maken dat het de kou was, daarna probeerde ze zich te concentreren op haar ademhaling. Ondertussen begon de man zachtjes met zijn voet op de stenen te tikken. Vervolgens schraapte hij zijn keel en draaide hij zich langzaam naar haar toe. Ten slotte verbrak hij de stilte:
"Je wacht op een trein die niet meer komt."
Sophie voelde haar hart sneller kloppen. Aan de ene kant klonk zijn stem vriendelijk, maar er zat iets in zijn toon dat haar waarschuwde op haar hoede te zijn. Desondanks bleef ze staan. De wind huilde door het station. De man zette een stap dichterbij en opende zijn koffer. Sophie keek naar binnen en voelde haar adem stokken.
Wat erin lag, kon niet echt zijn.
Inhoudelijke vragen (Waar gaat de tekst over?)
1. Waar speelt het verhaal zich af?
2. Hoe wordt de sfeer op het station beschreven?
3. Wat voelt Sophie terwijl ze op de trein wacht?
4. Wie is de mysterieuze man en hoe wordt hij beschreven?
5. Wat gebeurt er op het einde van de tekst?
Taal- en structuurvragen
6. Welke verwijswoorden komen in de tekst voor en waar verwijzen ze naar?
7. In welke tijd (tegenwoordige of verleden tijd) is de tekst geschreven?
8. Welke signaalwoorden worden gebruikt om de volgorde van gebeurtenissen aan te geven?
Tekstdoel en tekstsoort
10. Wat is het tekstdoel van deze tekst? (Informeren, overtuigen, activeren of amuseren?)