4havo - Les 4 - 1.4 Meetonzekerheid en significantie (KLAAR)

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
GesMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in het Zakkie 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Tekstslide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Wat heb je bij je?
4p Boek
5p Laptop
2p Geo
4p Rekenmachine (geen grafische)
2p Pen + potlood + gum
2p Ruitjesschrift of ruitjespapier in de multomap
8p BINAS
                                       Hoeveel punten scoor je?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de temperatuur?

Slide 4 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Je kunt uitleggen wat meetonzekerheid betekent.

Je kunt de regels voor significante cijfers toepassen.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meetonzekerheid
Wat is de temperatuur?
Iets boven de 22 ⁰C
Dus 22,1 ⁰C
Óf 22,2 ⁰C
Óf 22,3 ⁰C
Er is dus een meetonzekerheid!





Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meetonzekerheid
T = 22,2 ⁰C
Betekent: tussen 22,15 of 22,24999…

T = 22 ⁰C
Betekent: tussen 21,5 en 22,4999...

T = 22,0 ⁰C
Betekent: tussen 21,95 en 22,04999...
22 en 22,0 hebben dus een andere betekenis bij natuurkunde!








Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Significantie: regels
Significant = (veel)betekenend, betekenisvol; van betekenis; veelzeggend;

  1. Het aantal significante cijfers is het aantal cijfers dat een meetwaarde heeft. (bijvoorbeeld: 1,234 heeft 4 sign. cijfers)
  2. Nullen aan het begin tellen niet mee 
    (bijvoorbeeld: 0,0123 heeft 3 sign. cijfer)
  3. Machten van 10 tellen ook niet mee 
    (bijvoorbeeld: 1,23 * 10² heeft 3 significante cijfers)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers heeft
1456 m
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
0,2304
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
0,031
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
10,0 cm?
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers:
0,62 × 10³
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers:
0,01200 × 10²
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Significantie 
  • Het doel: je wil weten hoe precies de uitkomst is van een berekening

  • De minst nauwkeurige meetwaarde bepaalt de nauwkeurigheid van de uitkomst

  • Telwaarden zijn geen meetwaarden!

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rekenregels significantie 
Optellen/aftrekken (+ -):
  • Het antwoord heeft evenveel cijfers achter de komma als de meetwaarde met het kleinste aantal cijfers achter de komma. (4 + 2,3 = 6)

    Vermenigvuldigen/delen (× /):
  • Het antwoord heeft evenveel significante cijfers als de meetwaarde met het kleinste aantal significante cijfers. (0,50 × 0,10 = 0,050)

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3,40 + 0,72 =
A
4,12
B
4,1
C
4,0
D
4

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

3,0 + 0,08
A
3
B
3,0
C
3,1
D
3,08

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je wandelt 0,21 km in 133 s. Hoe groot is je gemiddelde snelheid?
A
1,5789474 m/s
B
1,579 m/s
C
1,58 m/s
D
1,6 m/s

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(bonus)
10 x 10 =
A
100
B
1,0 * 10 ^2
C
1,0 * 10 ^3

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Maak van §1.4 opg 19, 20 en 21

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen uit deze les

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen uit deze les

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Stel 1 vraag over iets dat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

           Aan de slag

Slide 26 - Tekstslide

6. Actieve verwerking
De docent maakt expliciet hoe de leerstof actief verwerkt dient te worden. De docent start met modelleren en laat leerlingen vervolgens actief inoefenen. Volgens het 'ik-wij-jullie/jij-wij' principe wordt de ondersteuning geleidelijk afgebouwd. Er wordt gevarieerd in oefentypes en het leerproces wordt zichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld met hardop denken opdrachten. Effectieve leerstrategieën zoals zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode worden expliciet aangeleerd. Dit herkneden van de lesstof helpt bij het bewerken van het lange termijn geheugen
           Afsluiting

Slide 27 - Tekstslide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner. 

           Begrippen
           uit deze les

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Titel kan hier geplaatst worden.

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Eindslide.

Ruimte voor een afsluitend woord.Ruimte voor een afsluitend woord.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies