4havo - Les 4 - 1.4 Meetonzekerheid en significantie (kLaAR)

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in het Zakkie 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Tekstslide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Wat is de temperatuur?

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

           Leerdoelen
Je kunt uitleggen wat meetonzekerheid betekent.
Je kunt de regels voor significante cijfers toepassen.

Slide 4 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   
Meetonzekerheid
Wat is de temperatuur?
Iets boven de 22 ⁰C
Dus 22,1 ⁰C
Óf 22,2 ⁰C
Óf 22,3 ⁰C
Er is dus een meetonzekerheid!





Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meetonzekerheid
T = 22,2 ⁰C
Betekent: tussen 22,15 of 22,24999…

T = 22 ⁰C
Betekent: tussen 21,5 en 22,4999...

T = 22,0 ⁰C
Betekent: tussen 21,95 en 22,04999...
22 en 22,0 hebben dus een andere betekenis bij natuurkunde!








Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Significantie: regels
Significant = (veel)betekenend, betekenisvol; van betekenis; veelzeggend;

  1. Het aantal significante cijfers is het aantal cijfers dat een meetwaarde heeft. (bijvoorbeeld: 1,234 heeft 4 sign. cijfers)
  2. Nullen aan het begin tellen niet mee 
    (bijvoorbeeld: 0,0123 heeft 3 sign. cijfer)
  3. Machten van 10 tellen ook niet mee 
    (bijvoorbeeld: 1,23 * 10² heeft 3 significante cijfers)

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers heeft
1456 m
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
0,2304
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
0,031
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significantie cijfers heeft
10,0 cm?
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers:
0,62 × 10³
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel significante cijfers:
0,01200 × 10²
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Significantie 
  • Het doel: je wil weten hoe precies de uitkomst is van een berekening

  • De minst nauwkeurige meetwaarde bepaalt de nauwkeurigheid van de uitkomst

  • Telwaarden zijn geen meetwaarden!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rekenregels significantie 
Optellen/aftrekken (+ -):
  • Het antwoord heeft evenveel cijfers achter de komma als de meetwaarde met het kleinste aantal cijfers achter de komma. (4 + 2,3 = 6)

    Vermenigvuldigen/delen (× /):
  • Het antwoord heeft evenveel significante cijfers als de meetwaarde met het kleinste aantal significante cijfers. (0,50 × 0,10 = 0,050)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3,40 + 0,72 =
A
4,12
B
4,1
C
4,0
D
4

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

3,0 + 0,08
A
3
B
3,0
C
3,1
D
3,08

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je wandelt 0,21 km in 133 s. Hoe groot is je gemiddelde snelheid?
A
1,5789474 m/s
B
1,579 m/s
C
1,58 m/s
D
1,6 m/s

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(bonus)
10 x 10 =
A
100
B
1,0 * 10 ^2
C
1,0 * 10 ^3

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Maak van §1.4 opg 19, 20 en 21

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen uit deze les

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen uit deze les

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Stel 1 vraag over iets dat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies