In beide situaties is er in het begin geen suiker opgelost en daarom is de beginconcentratie
0 mol L−1. Bij poedersuiker is er een groter contactoppervlak dan bij een suikerklontje. De
watermoleculen zullen daarom vaker botsen op het oppervlak van de vaste suikerkristallen
en vinden er dus ook meer effectieve botsingen plaats. Daardoor zullen de watermoleculen sneller de suikermoleculen kunnen oplossen en gaat de reactiesnelheid omhoog. In het begin loopt de concentratie opgeloste suikermoleculen snel op bij de poedersuiker. Bij een
suikerklontje is het contactoppervlak kleiner en zullen er dus minder effectieve botsingen
plaatsvinden. De reactiesnelheid is lager. De hoeveelheid suiker is hetzelfde, dus de
eindconcentratie ook.