Verwijswoorden: deze, die, dit, dat

deze - die - dit - dat
deze die dit dat

1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Speciaal OnderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

deze - die - dit - dat
deze die dit dat

Slide 1 - Tekstslide

Verwijswoorden

Slide 2 - Tekstslide

DEZE, DIE, DIT, DAT
- dezE en diE gebruik je bij dE-woorden:

De jongen: 
hier is deze jongen, 
daar is die jongen

- diT en daT gebruik je bij heT-woorden:

Het meisje:
Hier is dit meisje,
daar is dat meisje



Slide 3 - Tekstslide

Maar... let op!

Slide 4 - Tekstslide

... zijn mijn kinderen. (veraf)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 5 - Quizvraag

... is mijn moeder. (veraf)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 6 - Quizvraag

Hier is de appel. Wil je ... (de) appel? (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 7 - Quizvraag

Zij speelt met ... (het) meisje. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 8 - Quizvraag

Ik heb les in ... (het) lokaal. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 9 - Quizvraag

Ik ging vroeger naar ... (de) school.(veraf)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 10 - Quizvraag

Ik hou van ... (de) film. (veraf)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 11 - Quizvraag

... (de) tafel is groot. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 12 - Quizvraag

Wil je ... (het) t-shirt kopen? (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 13 - Quizvraag

Mijn tante lust ... (de) soep niet. (veraf)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 14 - Quizvraag

... is mijn vader. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 15 - Quizvraag

Ik kies ... (het) koekje. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 16 - Quizvraag

Is ... (de) computer van jou? (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 17 - Quizvraag

..... is mijn zoon. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 18 - Quizvraag

... (de) schoenen zijn mooi. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 19 - Quizvraag

... is onze school. (dichtbij)
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 20 - Quizvraag