FPZ Periode 5 Week 2 Moodle

FPZ Periode 5 Week 2 Moodle
Kennistoets 
Medicatiebewaking 
Hoofdstuk 8
BOL 2e jaars
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

FPZ Periode 5 Week 2 Moodle
Kennistoets 
Medicatiebewaking 
Hoofdstuk 8
BOL 2e jaars

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een contra-indicatie?
A
Een wisselwerking tussen 2 middelen
B
Een ongewenste werking
C
De reden voor gebruik
D
Een reden om een medicijn niet te gebruiken.

Slide 2 - Quizvraag

Wat is geen contra indicatie
A
Verstopte neus bij xylometazoline
B
Oxycodon bij zwangerschap
C
Metoprolol bij topsporter
D
Diuretica bij jicht

Slide 3 - Quizvraag

NSAID's bij ASTMA is een ....
A
afgeleide contra indicatie
B
relatieve contra indicatie
C
absolute contra indicatie
D
algemene indicatie

Slide 4 - Quizvraag

Astma bij ventolin
prednisolon bij glaucoom
koorst (>38,5) bij covid vaccinatie
Afgeleide contra indicatie
Relatieve contra indicatie
Absolute contra indicatie

Slide 5 - Sleepvraag

Een interactie is:
A
Een aandoening waarbij een gnm niet mag worden gebruikt.
B
Een overgevoeligheid voor een gnm.
C
Een ongewenste werking bij gebruik van 2 of meer gnm .
D
Een ongewenste werking bij een gnm.

Slide 6 - Quizvraag

Interactie
Contra-indicatie
Indicatie
Maagklachten bij NSAID's
verminderde ijzer opname bij kalktablet
te veel maagzuur en gebruik van omeprazol
Alcoholgebruik en sedativa
Prednisolon oogdruppels bij glaucoom

Slide 7 - Sleepvraag

Waarom hebben NSAIDS als bijwerking maagklachten?
A
Omdat de prostaglandine aanmaak geremd wordt
B
Omdat er meer prostaglandine vrij komt.
C
Omdat het maagzuur zuurder wordt.
D
Omdat het geneesmiddel de maag irriteert.

Slide 8 - Quizvraag

Diclofenac zetpillen .
Stelling:
1- hebben geen invloed op de maag omdat het de maag niet passeert.
2- Kan je geven als de patiënt braakt.


A
Stelling 1 en 2 zijn waar
B
Stelling 1 is waar
C
Stelling 2 is waar
D
Stelling 1 en 2 zijn niet waar

Slide 9 - Quizvraag

wat betekent
obsolete therapie?
A
Behandeling ter voorkomen van een ziekte
B
Behandeling bij terminale zorg
C
Behandeling om een diagnose te kunnen stellen
D
Een verouderde of niet gangbare behandeling

Slide 10 - Quizvraag

Een voorbeeld van
(pseudo) dubbelmedicatie is....
A
Paracetamol en coffeïne
B
Omeprazol en Macrogol
C
Oxycodon smelttablet en Oxycodon MGA
D
Metformine en Simvastatine

Slide 11 - Quizvraag

Stelling 1: De patiënt kan de tablet niet doorslikken.
Stelling 2: De patiënt kan ivm de ramadan de
tabletten niet 3 x daags innemen.
A
1= ongeschikte toedienvorm 2= doseringsprobleem
B
1= dubbelmedicatie 2= cumulatie bijwerking
C
1= obsolete therapie 2= overgevoeligheid
D
1= ontbreken van preventieve medicatie 2= afwijkende labwaarde

Slide 12 - Quizvraag

Welke lab waarde gebruiken wij in de apotheek?
A
INR Calcium en Vitamine K
B
Kalium natrium nier- en leverfunctie
C
Natrium Calcium en Lever- en darmfunctie
D
Creatine, IJzer ,Zuurstof

Slide 13 - Quizvraag

Wat is GEEN
preventieve medicatie?
A
pantoprazol bij diclofenac
B
Lactulose bij Fentanyl
C
vitamine D bij calcium
D
Macrogol bij oxycodon

Slide 14 - Quizvraag