Les 2 Betrouwbaarheid en bruikbaarheid

1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat leer je vandaag?
  • Oefeningen om je woordenschat uit te breiden 😎
  • Je leert inschatten of een tekst betrouwbaar is;
  • Je leert bepalen hoe bruikbaar (waardevol) de informatie is.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent commentaar?
A
Tekst waarin iets wordt uitgelegd of waarin opmerkingen bij iets worden gemaakt (kan ook mondeling).
B
Is altijd negatief.
C
Betekent hetzelfde als samenvatting.
D
Betekent dat je niet akkoord gaat.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent coördineren?
A
Betekent het werk zelf uitvoeren.
B
Is alleen iets voor leidinggevenden.
C
Betekent dat je alle antwoorden hebt.
D
Zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent debat?
A
Een debat is een ruzie.
B
Vereist dat je het altijd eens bent met elkaar.
C
Je hoeft niet te luisteren tijdens een debat.
D
Een aan regels gebonden discussie.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent detail?
A
Klein onderdeel van een geheel.
B
Details zijn niet belangrijk in communicatie.
C
Je hoeft geen aandacht aan details te besteden.
D
Als iets klein is, is het automatisch een detail.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent doseren?
A
Heeft alleen te maken met medicijnen.
B
(iets) in goede hoeveelheden of in kleine porties tegelijk aanbieden.
C
Doseren betekent niet nadenken.
D
Betekent dat je iets altijd in één keer moet geven.

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent evalueren?
A
Betekent iets verbeteren.
B
Betekent simpelweg een mening geven.
C
Betekent iets bekijken en beoordelen om te zien of het werkt.
D
Is hetzelfde als controleren.

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent factuur?
A
Is een betaalbewijs.
B
Hoeft geen belasting te bevatten.
C
Papier waarop staat hoeveel, waarvoor en aan wie je iets moet betalen, rekening.
D
Is altijd hetzelfde als een offerte.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent constant?
A
Betekent dat iets heel snel gebeurt.
B
Betekent dat iets niet wordt beïnvloed door externe factoren.
C
Dat iets altijd de hoogste waarde heeft.
D
Hetzelfde blijvend, niet veranderlijk.

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent functie?
A
Bepaald werk dat je doet.
B
Betekent dat je altijd leidinggeeft.
C
Is altijd vast en onveranderlijk.
D
Is altijd een functie in de wetenschap.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent gevarieerd?
A
Het betekent dat er veel verschillende dingen zijn die samen een afwisselend geheel vormen.
B
Betekent hetzelfde als gelijk.
C
Betekent altijd chaotisch.
D
Ongeorganiseerd.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent identiteit?
A
Wie je officieel bent, in de vorm van je naam, adres, geboortedatum e.d./wat kenmerkend voor jou is.
B
Is hetzelfde als uiterlijk.
C
Is alleen je culturele achtergrond.
D
De manier waarop anderen je zien.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent indirect?
A
Betekent altijd dat er geen actie is.
B
Dat je iets niet bedoelt.
C
Betekent dat iets niet gebeurt.
D
Betekent dat iets op een omweg gebeurt, zonder direct of openlijk te zijn.

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent intelligentie?
A
Is hetzelfde als kennis.
B
Eigenschap dat je moeilijke dingen snel begrijpt.
C
Betekent dat je snel moet handelen.
D
Is alleen belangrijk op school.

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent inventariseren?
A
Helpt om te weten wat er is en of aanpassingen of bestellingen nodig zijn.
B
Het maken van nieuwe spullen.
C
Het kopen van nieuwe voorraden.
D
Het verkopen van spullen.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent krediet?
A
Betekent altijd gratis geld krijgen.
B
Betekent dat je geen schulden hebt.
C
Is hetzelfde als een bankrekening.
D
Geldlening die je niet direct hoeft terug te betalen; vertrouwen dat iemand wekt (bij een ander).

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betrouwbaarheid teksten
Kijk naar:

Deskundigheid auteur;
Datum van publicatie;
Objectiviteit;
Taalgebruik;
Feiten of meningen;
Gebruik van bronnen.


Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Om te bepalen of een tekst betrouwbaar is, kijk ik naar:
A
De schrijver, het publiek en de datum van de tekst
B
De bron, het publiek en het doel van de tekst
C
De bron, de schrijver en het doel van de tekst
D
Het publiek, het doel en de datum van de tekst.

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bijsluiter van medicatie is een betrouwbare tekst.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe kun je de betrouwbaarheid van een tekst controleren?
A
Kijken wie de tekst heeft geschreven.
B
Controleren of de informatie actueel is.
C
De bron van de tekst controleren.
D
Achterhalen waar de informatie vandaan komt.

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke tekst is (het meest) betrouwbaar?
A
een review op Insta
B
een recensie van een film
C
een tekst met bronvermelding
D
een krantenartikel uit 2010

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar haal jij
je nieuws vandaan?

Slide 28 - Woordweb

  • Wie volgt het nieuws?
  • Hoe kom je aan je nieuws?
  • Welke kanalen gebruik je?
  • Lees je nieuws op social media? Welke?

Slide 29 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Welke tips heb je allemaal gekregen om nepnieuws te herkennen?

Slide 30 - Open vraag

In de video wordt gezegd dat mensen door nepnieuws tegen elkaar opgezet kunnen worden.

Denkvraag: zie je dat sinds de avondklok gebeuren in Nederland? Hoe heeft dat kunnen gebeuren, denk je?
Lezen, luisteren, kijken 1.3
  • Ga naar Lezen, luisteren, kijken
  • Klik op 1.3 Betrouwbaarheid en bruikbaarheid
  • Maak opdracht 1 t/m 4 
  • Klaar? Maak eerdere paragrafen af.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies