BS 4 Zwanger worden (deel 1 en deel 2)

Thema 4 Voortplanting en seksualiteit
BS 4 Zwanger worden (deel 1)
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologiePraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 4 Voortplanting en seksualiteit
BS 4 Zwanger worden (deel 1)

Slide 1 - Tekstslide

Nakijken
BS 3 blz.29 enz..
opdrachten: 1, 2, 3, 4, 5, 6

Slide 2 - Tekstslide

BS 4 leerdoelen vandaag

 Je kunt de kenmerken van zaadcellen en eicellen noemen.
 Je kunt beschrijven hoe bevruchting bij de mens verloopt.
 Je kunt beschrijven hoe een zwangerschap verloopt.
 

Slide 3 - Tekstslide

Zwellichamen
  • In de penis bevinden zich zwellichamen.
  • Als deze zwellichamen zich vullen met bloed, krijgt de man een erectie. (een 'stijve')

Slide 4 - Tekstslide

4.4 Zwanger worden
Bij geslachtsgemeenschap kan sperma in de vagina komen. De zaadcellen bewegen zich dan met behulp van hun zweepstaart in de richting van de baarmoeder en de eileiders.

De bevruchting van een eicel door een zaadcel gebeurt in een eileider.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Zwellichamen
in de clitoris
Net zoals bij de penis heeft de clitoris ook zwellichamen

Tijdens opgewonden toestand van de vrouw vullen deze zich met bloed

Slide 7 - Tekstslide

Bevruchting
Bij bevruchting versmelt de kern van de zaadcel met de kern van de eicel.

Bij bevruchting dringt de kop van de zaadcel de eicel binnen.
De zweepstaart van de zaadcel blijft achter.


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Delen na bevruchting
De bevruchte eicel gaat zich meteen een aantal keer delen.
Het klompje cellen dat zo ontstaat, wordt via de eileider vervoerd naar de baarmoeder.

Het klompje cellen zet zich vast in het slijmvlies van de baarmoeder. Dat heet innesteling.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Ontwikkeling:
Het kind ontwikkelt zich in de baarmoeder.

De eerste weken noem je het een embryo.
Vanaf de achtste week na de bevruchting noem je het een foetus.
Na de geboorte noem je het een baby.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

De eerste weken van de zwangerschap zorgt het baarmoederslijmvlies voor de voeding van het embryo.

Daarna ontstaat de placenta of moederkoek.
Via de placenta krijgt het embryo voeding en zuurstof van de moeder.

Slide 15 - Tekstslide

Het embryo is door de navelstreng verbonden met de placenta.

 In de navelstreng liggen bloedvaten. Via deze bloedvaten stroomt bloed van het embryo naar de placenta..


Slide 16 - Tekstslide

Zuurstof en voedingsstoffen gaan van het bloed van de moeder naar het bloed van de embryo.

Afvalstoffen gaan van het bloed van het embryo naar het bloed van de moeder.

Slide 17 - Tekstslide

Aan het werk:
Lezen BS 4 en maken opdrachten 1, 2, 3, 4, 5

Slide 18 - Tekstslide

Thema 4 Voortplanting en seksualiteit
BS 4 Zwanger worden (deel 2)

Slide 19 - Tekstslide

BS 4 deel 2: Hoera! Zwanger
Als een bevruchte eicel zich heeft vastgehecht in de baarmoeder, wordt het baarmoederslijmvlies niet afgestoten en vindt er geen menstruatie plaats.
De vrouw is dan zwanger.

Tijdens de zwangerschap is een vrouw niet ongesteld.

Slide 20 - Tekstslide

Vanaf welke week in je zwangerschap wordt een embryo een foetus?
A
8
B
12
C
3
D
40

Slide 21 - Quizvraag

Wanneer is een jongen vruchtbaar?
A
Vanaf de eerste zaadlozing altijd.
B
De eerste week van de maand.
C
Wanneer hij ongesteld is.
D
Tijdens de eisprong.

Slide 22 - Quizvraag

Wanneer is een meisje vruchtbaar?
A
Altijd.
B
Als ze menstrueert (ongesteld is).
C
Rond de eisprong in de derde week van de cyclus.
D
Als ze is klaargekomen.

Slide 23 - Quizvraag

Wat is bevruchting?
A
Celkernen van eicel en zaadcel versmelten samen
B
Zaadcel komt in de eicel
C
Plant maakt een vrucht
D
Eicel komt in zaadcel

Slide 24 - Quizvraag

Leerdoel BS 4 (deel 2)
Je kunt uitleggen wat prenataal onderzoek is en hiervan voorbeelden noemen.

Slide 25 - Tekstslide

Om het embryo heen liggen vruchtvliezen. Binnen de vruchtvliezen bevindt zich vruchtwater, waarin het embryo drijft.

Het embryo wordt door het vruchtwater beschermd tegen stoten en uitdroging.

Slide 26 - Tekstslide

Prenataal onderzoek
Tijdens de zwangerschap kan worden onderzocht of de moeder een grotere kans heeft op een kind met een aangeboren afwijking of erfelijke ziekte. Dit is niet verplicht.

Dit noem je prenataal onderzoek.

Ook kan het geslacht van de baby worden bepaald.

Slide 27 - Tekstslide

Echografie
Als een vrouw ongeveer 10 weken zwanger is, wordt meestal een echo (echografie) gemaakt. Met behulp van geluidsgolven ontstaat en beeld van de foetus in de baarmoeder.

Aan de hand van deze echo kan de verloskundige bepalen hoe lang de vrouw precies zwanger is en wanneer het kind dus ongeveer geboren zal worden.

Slide 28 - Tekstslide

NIPT
NIPT
= Niet-invasieve prenatale test
  • Bloedtest (van de moeder)
  • Bevat DNA van de placenta, deze bevat DNA van de baby
  • Check chromosomen
nipt test: 11 weken

Slide 29 - Tekstslide

Na ongeveer 20 weken zwangerschap kan nogmaals een echo worden gemaakt. Bij deze 20-wekenecho wordt de foetus worden onderzocht op verschillende aangeboren afwijkingen aan het hart, de hersenen, de organen en de ledematen.

Ook kan het geslacht worden bepaald.

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Aan het werk: 
Lezen BS 4 en maken opdrachten: 6, 7, 8, 9. 

Dan samen nakijken.
timer
10:00

Slide 32 - Tekstslide