Theorie literatuur

Literatuur 
- herhaling en voorbereiding op PO literatuur 
a.d.h.v. het verhaal: 'Een onbekende trekvogel'
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Literatuur 
- herhaling en voorbereiding op PO literatuur 
a.d.h.v. het verhaal: 'Een onbekende trekvogel'

Slide 1 - Tekstslide

Programma


-Opfrissen theorie literatuur
-Een onbekende trekvogel samen lezen
-Vragen maken/uitwerken

Slide 2 - Tekstslide

Protagonist 
Persoon in een boek waar je veel informatie over krijgt. Je krijgt gedachten en gevoelens te lezen.

Slide 3 - Tekstslide

Bijpersonen
Personen die een minder belangrijke rol spelen in een boek. Je krijgt niet de gedachten en gevoelens te lezen.

Slide 4 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen een round en flat character in een verhaal?

Slide 5 - Open vraag

  • Personage dat in het verhaal een zekere ontwikkeling doormaakt
 
  • KENMERKEN PERSONAGE - personage: 
  • heeft verschillende karaktertrekken;
  • ontwikkelt zich;
  • is gecompliceerd en 
  • heeft meer dimensies.
Round character

Slide 6 - Tekstslide

Personage dat weinig is uitgewerkt.  
Nauwelijks beschreven karakter, eendimensionaal.
Flat character

Slide 7 - Tekstslide

Round vs. flat character 

Slide 8 - Tekstslide

Het begin van een roman/verhaal 
  • ab ovo (uit het ei) > begint bij het begin, normale chronologische volgorde
  • in medias res (midden in de gebeurtenis) > midden in het verhaal beginnen en daarna pas de voorgeschiedenis vertellen
  • post rem (na de de gebeurtenis) > het hele verhaal achteraf vertellen

Slide 9 - Tekstslide

ab ovo-begin
in medias res-begin
post rem-begin
Het boek begint met een spannende gebeurtenis en pas later lees je wat er vooraf is gegaan.
Het boek opent met de eerste gebeurtenis uit het verhaal.
Het boek begint bij het eind. Wat er daarvoor is gebeurd, wordt in de rest van het boek verteld. Zo'n boek is niet-chronologisch.

Slide 10 - Sleepvraag

Wat bepaalt het vertelperspectief?
A
De lengte van het verhaal
B
De plaats van het verhaal
C
Wie het verhaal vertelt
D
De tijd waarin het zich afspeelt

Slide 11 - Quizvraag

Ik-vertelperspectief
  • De gebeurtenissen worden verteld door een personage in de ik-vorm

  • Ik loop in de tuin en zie een mooie roos. Ik pluk hem.

  • Dit 'verhaal' is in de ik-vorm geschreven. Je kijkt door de ogen van de 'ik'. Je weten alleen wat de hoofdpersoon weet op dit moment in het verhaal.

Slide 12 - Tekstslide

Personaal vertelperspectief

  • De gebeurtenissen worden in de hij- of zij-vorm verteld.

  • Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem.

  • Je weet nog steeds alleen wat 'ze' weet, maar nu wordt er in de zij-vorm geschreven. 

Slide 13 - Tekstslide

Auctoriaal vertelperspectief
  • De alwetende verteller, speelt zelf geen rol in het verhaal, maar hij weet alles van alle personages en gebeurtenissen. 

  • 'Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem. De nieuwe tuinman staat om de hoek naar haar te kijken, hij houdt zijn schep stevig vast.'

  • Als lezer weet je meer dan de hoofdpersoon. Je weet ook wat er met andere personages gebeurt en wat er op andere plekken gebeurt. 


Slide 14 - Tekstslide

Wisselend vertelperspectief


Als een schrijver kiest voor het ik-perspectief of het hij- of zij-perspectief, dan kunnen verschillende personages elkaar afwisselen als hoofdpersoon en/of verteller.


Slide 15 - Tekstslide

Flashback of flashforward
  • Flashback = terugkijken
  • Flashforward = vooruit kijken
Let op: een flashback of -forward kan een zin zijn, maar ook een heel hoofdstuk of langer. Dan wordt de 'chronologie' verbroken. 

Slide 16 - Tekstslide

Een flashback
  • Een tijdsprong terug in de tijd heet een terugblik, ofwel flashback.
  • Een flashback onderbreekt het verhaal een poosje.
  • Schrijvers gebruiken een flashback om een belangrijke gebeurtenis uit het verleden te laten zien.

Slide 17 - Tekstslide

Wat betekent 'intertekstualiteit'?
A
Er staat een kader in de tekst
B
Er staat een bronverwijzing in de tekst
C
In de tekst wordt verwezen naar een andere, eerdere tekst
D
De schrijver draagt zijn boek aan iemand op, op de beginpagina

Slide 18 - Quizvraag

Theorie intertekstualiteit





We spreken van intertekstualiteit wanneer in een literaire tekst verwezen wordt naar een andere (literaire) tekst, film of muziek. Vb van literaire tekst: sprookjes 
of de bijbel.

Slide 19 - Tekstslide

Lezen!
We lezen klassikaal Een onbekende trekvogel 
 


Slide 20 - Tekstslide

Beantwoord de volgende vragen erbij (hw voor de volgende keer)
1. Met wat voor verhaalbegin hebben we te maken?
2. Wie is de protagonist in het verhaal?
3. Met wat voor soort perspectief hebben we in dit verhaal te maken?
4. Maakt de schrijver gebruik van een flashback, licht je antwoord toe. 
5. Is er in het verhaal sprake van intertekstualiteit? Licht je antwoord toe.
6. Is de ik-figuur een flat character of een round character? Licht je antwoord toe waarbij je de inhoud van het verhaal in je antwoord betrekt.
7. Is Gerrit een flat character of een round character? Licht je antwoord toe waarbij je de inhoud van het verhaal in je antwoord betrekt. 
8.  Wat is het thema van het verhaal?
9. Waarom is de titel niet 'De' maar 'Een onbekende trekvogel'?
10. De ik identificeert zich sterk met een onbekende trekvogel. Uit welke passages blijkt dat? 











Slide 21 - Tekstslide

Toepassing
We lezen klassikaal Een onbekende trekvogel op blz 172-174.

 


Slide 22 - Tekstslide