MK 1.3.7 Voeding en vertering

MK 1.3.7 Voeding en vertering
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

MK 1.3.7 Voeding en vertering

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel
Ik kan 6 voedingsstoffen omschrijven en uitleggen wat ondervoeding en overgewicht is.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet jij over ondergewicht?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet jij over overgewicht?

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedingsstoffen

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Suikers
Hoe worden suikers ook wel genoemd?

Belangrijkste energiebronnen voor het lichaam. Naast de functie van brandstof worden suikers ook gebruikt voor de aanmaak van belangrijke moleculen. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drie groepen suikers
1. enkelvoudige suikers
--> Kleinste suikers die er zijn
--> glucose ofwel druivensuiker; fructose ofwel vruchtensuiker;
galactose; ribose.
2. tweevoudige suikers;
3. polysachariden.

De enkelvoudige suikers zijn zó klein dat ze via de darmwand naar het bloed getransporteerd kunnen worden

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drie groepen suikers (2)
2. Tweevoudige suikers (disachariden)
--> opgebouwd uit twee aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers
--> te groot om via de darmwand in het bloed opgenomen te worden. Tijdens de spijsvertering worden ze dan ook gesplitst in de enkelvoudige suikers waaruit ze bestaan. 
--> Meest voorkomende:
Maltose ofwel moutsuiker, opgebouwd uit glucose + glucose;
Lactose ofwel melksuiker, opgebouwd uit glucose + galactose;
Sacharose ofwel bietsuiker, opgebouwd uit glucose + fructose.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drie groepen suikers (3)
3. Polysachariden
-->  bestaan uit veel tot heel erg veel aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers. Het kunnen er wel 25.000 zijn. 
--> Belangrijke polysachariden zijn:
Zetmeel; (plantaardig)
Cellulose; (plantaardig)
Glycogeen.
Plantaardig voedsel: rijst, granen en aardappelen.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afbraak van suikers
Tweevoudige suikers en polysachariden worden tijdens de spijsvertering afgebroken tot enkelvoudige suikers.

Aardappel eten:
1. Koken. Door te koken tast je de aardappelstructuur aan, terwijl het zetmeel niet wordt afgebroken.
2. Mechanisch verkleinen. Dat doe je door te kauwen en te vermalen met je gebit. Hierdoor verdwijnt de aardappelstructuur helemaal, maar het zetmeel is nog steeds niet afgebroken.
3. Chemische afbraak. Spijsverteringsenzymen werken in op de molecuulstructuur van het zetmeel. Nu pas wordt de zetmeelstructuur zelf aangepakt.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. Vetten
= bouwstoffen en brandstoffen, isolatie, oplosmiddel voor bepaalde vitaminen

Op grond van de molecuulstructuur worden vetten in drie groepen verdeeld:
1. triglyceriden;
2. fosfolipiden;
3. steroïden --> Een heel bekend en belangrijk steroïd is cholesterol. Deze stof vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen. Sommige hormonen zijn steroïden, zoals het mannelijk geslachtshormoon testosteron en het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen.

Vetten worden in het darmkanaal helemaal afgebroken tot de moleculen waaruit ze zijn opgebouwd. Voor de afbraak is maar één type enzym nodig. Dat is lipase. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3. Eiwitten
Eiwitten (proteïnen) spelen een onmisbare rol bij alle activiteiten en functies van het lichaam. Ze moeten dagelijks in een voldoende hoeveelheid in je voedsel zitten, want je kunt geen reserve-eiwitten in je lichaam opslaan

Slide 12 - Tekstslide

Het geven van structuur. Structuureiwitten dienen als bouwstof, bijvoorbeeld in celmembranen, in collagene vezels en in de matrix van steunweefsel.
Versnellen van chemische omzettingen. Dit gebeurt door enzymen; dat zijn altijd eiwitten. Voor de duizenden chemische omzettingen in het lichaam zijn evenzoveel verschillende enzymen nodig.
Transport. Transporteiwitten vervoeren stoffen in en uit de cel via de celmembraan. Bepaalde plasma-eiwitten in het bloed zijn transporteiwitten; ze koppelen de te vervoeren stoffen aan zichzelf vast en transporteren ze zo via het bloed.
Informatie doorgeven. Dit gebeurt door receptoreiwitten. Deze zitten aan de buitenkant van de celmembraan. Ze dienen als een soort antennes, die chemische signalen opvangen en doorgeven aan de cel.
Spierwerking. Dit wordt gedaan door twee samentrekbare eiwitten: actine en myosine. Ze zitten in de spiervezels.
Bescherming. Voorbeelden van beschermende eiwitten zijn antistoffen en de stollingsfactoren in het bloed. Huid, haren en nagels bestaan uit uitgeharde eiwitten.
Energiebron. In noodgevallen kunnen eiwitten als energiebron fungeren, als er geen glucose en vetten meer beschikbaar zijn.
4. Mineralen
= Bouwstoffen en hulpstoffen
--> Zouten en spoorelementen
--> Zijn anorganische stoffen; komen van oorsprong uit de niet-levende natuur
--> In opgeloste vorm worden zouten vanuit de darm in het bloed opgenomen 
VB. keukenzout

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. Vitaminen
= Hulpstoffen
--> Vitaminen zijn complexe organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling.
--> Het lichaam kan de meeste vitaminen niet zelf maken, met uitzondering van vitamine D en vitamine K. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vitaminen (2)
Op grond van hun oplosbaarheid worden twee groepen vitaminen onderscheiden: de in vet oplosbare vitaminen en de in water oplosbare vitaminen.
Vet oplosbare vitaminen --> Vitaminen A, D, E en K.
Er is altijd vet bij nodig. De vitaminen lossen daarin op en samen met het vetdeeltje komen ze in het bloed terecht.
Water oplosbare vitaminen --> Vitaminen B en C

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6. Water
= Oplosmiddel, transportmedium, warmtebuffer, steunstof, vulmiddel
--> 2.5 liter water nodig. Je lichaam bestaat voor ongeveer driekwart uit water.
--> Water is dan ook een van de belangrijkste bouwstoffen van het lichaam.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies




Oxidatiewater = vocht vrij in het lichaam --> eiwitten, vetten en koolhydraten uit eten wordt omgezet in energie

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organische en anorganische stoffen
Voedingsstoffen kunnen bestaan uit organische en anorganische moleculen.

Organisch: wordt gebruikt voor alle moleculen die gemaakt zijn in of door levende organismen.
Anorganische: hebben hun oorsprong in de niet-levende natuur. 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vragen?

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maken:
Opdracht 1 eDition

-6. Voedingsstoffen; opdrachten eDition 1 t/m 11  

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volgende week:
De komende les gaan we het hebben over afwijkende ontlastingspatronen.

Wat zijn belangrijke punten om op te letten bij het observeren van ontlastingspatronen? Noteer deze en neem deze mee naar de volgende les.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies