Les 2 jaar 2 vv2b

Les Nederlands


vv2b
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Les Nederlands


vv2b

Slide 1 - Tekstslide

Welkom
Mededelingen
Oefenwebsite
2F


 Bespreken schrijfopdracht

Veelgemaakte fouten


Afsluiten met dilemma
Planning van vandaag

Slide 2 - Tekstslide

https://2fnederlands.wordpress.com/
Oefenwebsite

Slide 3 - Tekstslide

Wat gaan we doen in de lessen?
90 minuten Nederlands per week

periode 1
periode 2
Examen Lezen/luisteren (week 5), Spreken en Gesprekken
Examen Schrijven (week 45)
Taalverzorging, verslaglegging
in periode 1 en 2
Lees- en luistervaardigheid, spreekvaardigheid

Slide 4 - Tekstslide

E-mail met klacht


  • Tweetallen: lees elkaars e-mail door en vul het feedbackformulier in
  • Geef elkaar een top
  • Geef elkaar een tip

Slide 5 - Tekstslide

Wat is hier misgegaan?
Tim werkte als pizzabezorger, maar is gisteravond ontslagen. Hij heeft een pizza afgeleverd, maar was vergeten de ontvanger te laten betalen. 'Ik had een briefje meegekregen waar op stond 'betaald met tien euro', dus toen ben ik meteen weer weggereden'. Hij heeft zijn baas de situatie nog geprobeerd uit te leggen, maar die snapte niet waar Tim het over had. 'Het briefje was duidelijk: hij zou betalen met tien euro. Dat was voor Tim belangrijk om te weten hoeveel wisselgeld hij mee moest nemen'. Tim gaat ergens anders als bezorger aan de slag.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Hij zegt dat hij van haar ....... .
A
houd
B
houdt
C
houden

Slide 8 - Quizvraag

je en jij 
Hoe je de jij- vorm in de tegenwoordige tijd schrijft, hangt af van de plek van het werkwoord in de zin:​



> werkwoord achter ‘jij’ of ‘je’:  ik-vorm + t​
Jij loopt altijd door   |      Jij wordt later boer

> werkwoord voor ‘jij’ of ‘je’ (jij/je onderwerp):       ik-vorm 
Loop jij altijd door?  |      Word jij later boer?

Slide 9 - Tekstslide

Het is koud dus ..... (kleden) je warm aan
A
kleed
B
kleedt

Slide 10 - Quizvraag

...... jij ook wel eens moe van het eeuwige gezeur van die docenten?
A
Word
B
Wordt
C
Worden

Slide 11 - Quizvraag

....(houden) jij meer van varkens of koeien?
A
Houd
B
Houdt

Slide 12 - Quizvraag

(...onthouden) jouw baas alles wat je verkeerd doet?
A
Onthoud
B
Onthoudt

Slide 13 - Quizvraag

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Kerstcadeau
B
kerstcadeau

Slide 14 - Quizvraag

Hoofdletter?
A
intertoys
B
Intertoys

Slide 15 - Quizvraag

Met of zonder hoofdletters?
A
anwb
B
ANWB

Slide 16 - Quizvraag

Met of zonder hoofdletter?
A
burgerschap
B
Burgerschap

Slide 17 - Quizvraag

Met of zonder hoofdletter?
A
de volkskrant
B
de Volkskrant

Slide 18 - Quizvraag

Met of zonder hoofdletter?
A
December
B
december

Slide 19 - Quizvraag

Hoofdletter?
A
lente
B
Lente

Slide 20 - Quizvraag

Slide 21 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 22 - Open vraag

Me/mij/mijn, je/jou/jouw, u/uw
ons/onze



Wanneer je een bezit aangeeft (en dat bezit direct erachter staat) gebruik je mijn, jouw, uw, onze. 

Ik ben mijn laptop vergeten
Je bent jouw laptop vergeten
Dat is uw keuze   

Twijfel? Vervang het woord door 'mijn' > je hoort een N, dus dan komt er een extra letter achter

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 25 - Open vraag

Slide 26 - Tekstslide

Is/eens
Heeft de PostNL weer is een pakketje teruggestuurd?

Hij is niet zo slim.
Ik ben weer 's naar de dokter geweest.

's is een afkorting van eens

Slide 27 - Tekstslide

Lees de volgende zin
Hun liepen samen door de winkel.

Slide 28 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 29 - Open vraag

Slide 30 - Tekstslide

Hun hebben morgen een toets.          Fout!

Zij hebben morgen een toets.

Slide 31 - Tekstslide

Lees de volgende zin
Het meisje die daar fietst.

Slide 32 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 33 - Open vraag

Slide 34 - Tekstslide

Lees de volgende zin
De mensen waarmee ik op vakantie ga, zijn mijn vrienden.

Slide 35 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 36 - Open vraag

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 39 - Open vraag

Als of dan
Gebruik 'als' bij vergelijkingen
Mijn scooter is net zo snel als die van jou.

Gebruik 'dan' bij een verschil
Seizoen 2 van die serie vind ik slechter dan seizoen 1.
Ik denk dat ik beter in zingen ben dan jij.

Slide 40 - Tekstslide

  • Mara loopt even hard als mij/ik 
  • Mara loopt even hard als ik (loop)

  • Sophie heeft een mooiere stem dan mij/ik 
  • Sophie heeft een mooiere stem dan ik (heb)

Tip: Bij twijfel kun je de zin aanvullen met woorden die in het eerste deel van de zin al werden gebruikt. 

Slide 41 - Tekstslide

Gebruik 'dan' bij woorden: ander, andere, anders

  • De dag liep anders dan ik had verwacht.
  • Karel kreeg een andere dan ik (kreeg).

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

Welke fout zie je?

Slide 44 - Open vraag

Na of naar
Na de les ga ik een broodje kopen.
Voor de les ga ik een broodje kopen.

Na/voor = tegenstelling.



Slide 45 - Tekstslide

Je gebruikt 'naar' in alle andere situaties.

  • Ik ga naar huis.
  • Heb je het naar je zin hier?
  • Naar aanleiding van ons telefoongesprek, stuur ik u deze mail. 

Slide 46 - Tekstslide

Aan de slag
  • Maak in Taalblokken de opdrachten 'Taalverzorging' 
  • https://2fnederlands.wordpress.com/category/stijl/ > maak de opdrachten als/dan en jou/jouw, u/uw, me/mij/mijn

Slide 47 - Tekstslide

Dilemma

Slide 48 - Tekstslide