3hb-Handout A-Ein-Gruppe-Tschick-Roadmovie

Neuer Sitzplan: (plattegrond)
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Neuer Sitzplan: (plattegrond)

Slide 1 - Tekstslide

Lernziele heute:
- Tschick: Ik ken literaire begrippen
Handout A:
- ik weet wat de der-groep is en kan ze gebruiken
- ik weet wat de ein-groep is en kan ze gebruiken
- ik kan ontleden

Slide 2 - Tekstslide

Toets op 4 april:
Leren:

- Herhaal de vragen en antwoorden over het boek Tschick
- Leer de voorzetsels met 3e naamvaal (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
- Leer de voorzetsels met 4e naamvaal (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
- Leer de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e, 3e en 4e naamval (zie handout in bijlage), NL-D/D-NL
=> Op de toets krijg je vragen over het boek Tschick en moet je de naamvallen kunnen gebruiken
=> Hulpmiddel op de toets: naamvalschema, hier staan de der- en ein-groep met uitgangen op (maar GEEN voorzetsels en ook geen persoonlijke voornaamwoorden)





Slide 3 - Tekstslide

Nog even over Tschick...

Slide 4 - Tekstslide

Ken jij het literatuur- en film-genre "Coming of age"?
A
nooit gehoord
B
vergeten
C
ja!
D
ik twijfel

Slide 5 - Quizvraag

Dat betekent "Coming of age":
A
Film of boek behandelen de psychologische en morele groei van de jonge hoofdpersoon.
B
Het verwijst naar de overgang van kindertijd naar volwassenheid.
C
Het gaat over een feest.
D
Het gaat over een auto.

Slide 6 - Quizvraag

Noem redenen waarom "Tschick" a;s "coming of age" wordt gezien:

Slide 7 - Open vraag

Ken jij het genre "roadnovel" of "roadmovie"?
A
nooit gehoord
B
vergeten
C
ja!
D
ik twijfel

Slide 8 - Quizvraag

Dat betekent "roadnovel" of "roadmovie":
A
Een roadmovie is de algemene naam voor een filmgenre waarin de hoofdpersonen een reis maken.
B
Vaak ondergaan de hoofdpersonages ook een mentale reis.
C
Het gaat over het ontmoeten van verschillende mensen en de ontwikkeling van de hoofdpersonen.
D
Roman waarin de hoofdpersonen een reis maken waarop ze een land of zichzelf leren kennen.

Slide 9 - Quizvraag

Noem redenen waarom "Tschick" a;s "road novel" wordt gezien:

Slide 10 - Open vraag

2 Handouts:
1) Hulpmiddel op de toets: 
naamvalschema, hier staan de der- en ein-groep
=> gebruik deze al tijdens het oefenen

2) Handout van klas 2 met uitleg en opdrachten

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Tot de "der-Gruppe" behoren:
der, den, dem, die, das = de, het
dies- = deze, dit
welch- = welke, welk
jed- = elke, iedere
manch- = sommige
solch- = zulke, zo’n
all- = alle
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgangen als de lidwoorden in de der-Gruppe.
Let op: das krijgt als uitgang geen -as maar -es!  
  • Bijvoorbeeld: Dieses Buch ist von mir.

Slide 13 - Tekstslide

Tot de ¨ein-Gruppe¨ behoren:
  • ein- (een)
  • kein- (geen)
  • mein- (mijn)
  • dein- (jouw)
  • sein- (zijn)
  • ihr- (haar)
  • unser- (ons/onze)
  • euer- (jullie)
  • ihr- (hun)
  • Ihr- (uw)
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgang als de ein-Gruppe.



bezittelijke voornaamwoorden

Slide 14 - Tekstslide

Ist euer Vater schon lange krank?
Welke groep?
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 15 - Quizvraag

Solche liebe Kinder habe ich noch nie gesehen.
Welke groep?
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 16 - Quizvraag

Dieser lange Film war spannend.
Welke groep?
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 17 - Quizvraag

Wanner moet je in de 1e en 4e naamval een -e achter het woord uit ein- of der-groep plakken?
Als het zelfstandig naamwoord...
A
onzijdig is.
B
mannelijk is.
C
vrouwelijk of meervoud is.

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de betekenis van 'jouw'?
A
mein / meine
B
dein / deine
C
sein / seine
D
ihr / ihre

Slide 19 - Quizvraag

Kies het juiste antwoord.
[onze] ... Lehrerin (v)
A
unser
B
unsere

Slide 20 - Quizvraag

Kies het juiste antwoord.
[hun] ... Vater
A
ihr
B
ihre

Slide 21 - Quizvraag

elk is in het Duits ....
A
jed-
B
welch-
C
dies-

Slide 22 - Quizvraag

Deze/dit is in het Duits .....
A
welch-
B
dies-
C
jed-

Slide 23 - Quizvraag

Zulk in het Duits is .....
A
welch-
B
all-
C
solch-

Slide 24 - Quizvraag

Das sind (jullie) .... Eltern (mv)
A
euer
B
eure
C
ihre
D
ihr

Slide 25 - Quizvraag

vIst das ( uw).... Fahrrad (o)?
A
ihr
B
Ihre
C
ihre
D
Ihr

Slide 26 - Quizvraag

Ontleden
Hoe was het ook alweer??

Slide 27 - Tekstslide

In welke naamval staat een onderwerp in het Duits?
A
1e
B
3e
C
4e

Slide 28 - Quizvraag

In welke naamval staat een lijdend voorwerp in het Duits?
A
1e
B
3e
C
4e

Slide 29 - Quizvraag

In welke naamval staat een meewerkend voorwerp in het Duits?
A
1e
B
3e
C
4e

Slide 30 - Quizvraag

Ontleden: 
Der Junge hat der Freundin  die Schokolade gegeben.

Onderwerp --> 1e nv: Wie/wat + gezegde: wie heeft gegeven? 
--> der Junge 

Slide 31 - Tekstslide

Der Junge hat der Freundin die Schokolade gegeben.
Meewerkend voorwerp --> 3e nv: Aan wie / voor wie?
Aan wie heeft de jongen de chocolade gegeven?
--> der Freundin 

Slide 32 - Tekstslide

Der Junge hat der Freundin die Schokolade gegeben.
Lijdend voorwerp --> 4e nv:
Wat/wie + gez. + ond.w.: Wat heeft de jongen gegeven?
--> die Schokolade 

Slide 33 - Tekstslide

Naamwoordelijk deel van het gezegde: 
      Mein Bruder ist mein bester Freund
Als er een koppelwerkwoord in de zin staat (zijn, worden, blijven, heten…), dan kan het zijn dat je met een ‘naamwoordelijk deel van het gezegde’ te maken hebt. Dit houdt in, dat het onderwerp gelijk is aan hetgeen dat na het gezegde komt. Beide (onderwerp en naamwoordelijk deel) krijgen dan een 1e naamval.

Slide 34 - Tekstslide

Stappenplan, zie blz. 4
Stap 1: welke groep ?
Stap 2: welk geslacht ?
Stap 3: Zin ontleden om te bepalen wat de naamval is

Wie/wat + gezegde = 1e (onderwerp)
Wie/wat + gezegde + onderwerp = 4e (lijdend voorwerp)
AAN/VOOR wie + gezegde + onderw. + lijd. voorw. = 3e (meewerkend voorwerp)


Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Link

- ik weet wat de der-groep is en kan ze gebruiken
- ik weet wat de ein-groep is en kan ze gebruiken

Slide 37 - Poll

- ik kan ontleden

Slide 38 - Poll

Hausaufgabe:
Handout A: Sätze machen, Seite 5.
Gebruik het stappenplan

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Nächstes Mal:
- voorzetsels => aantekening
- persoonlijke voornaamwoorden => aantekening

Slide 41 - Tekstslide