- weet je het verschil tussen wissel- en gelijkstroom
- kan je voorbeelden benoemen van wissel- en gelijkstroom toestellen.
- kan je een simpel stroomschema maken
Slide 2 - Tekstslide
Spanning (U) en stroom (I)
elektrische stroom kun je met het blote oog niet zien en is een lastig begrip.
Elektrische stroom zou je kunnen vergelijken met water.
Het gedrag van water lijkt namelijk heel veel op dat van een elektronenstroom.
Slide 3 - Tekstslide
Spanning (U) en stroom (I)
Als de kraan gesloten is drukt het water met een bepaalde kracht tegen de kraan. Als het waterniveau hoger wordt, wordt ook de waterdruk op de kraan groter.
In de elektrotechniek noem je een dergelijke druk spanning. Spanning geeft men aan met de letter U.
De eenheid van spanning is Volt.
Slide 4 - Tekstslide
Spanning (U) en stroom (I)
Als we de kraan open draaien gaat er water stromen.
De waterstroom is te vergelijken met een elektronenstroom of elektrische stroom, die men aangeeft met de letter I.
De eenheid van stroom is Ampére.
Slide 5 - Tekstslide
Weerstand (R)
Als de kraan een klein stukje open staat ondervindt het water een bepaalde weerstand. Zet je de kraan verder open dan wordt de weerstand kleiner en gaat er meer water stromen.
In de elektrotechniek wordt weerstand weergegeven met de letter R en de eenheid is Ohm (Ω)
Slide 6 - Tekstslide
Wet van Ohm
Er is dus een relatie tussen stroom, spanning en weerstand.
Meneer Ohm heeft dit in de vorige eeuw ook al ontdekt, en hier een formule van gemaakt, die bekend is als
de wet van Ohm:
U = I x R
(I = U : R of R = U : I)
Slide 7 - Tekstslide
Wet van Ohm
U = I x R
U = Spanning (V)
I = Stroom (A)
R = Weerstand (Ω)
Slide 8 - Tekstslide
Wet van Ohm
Een accu laat een lampje branden met een weerstand van 480Ω, de stroom die door de "weerstand" (het lampje) loopt is 0,025 Ampere
wat is de spanning van de accu?
Wet van Ohm: U = I x R
U = 0,025 x 480
U = 12 volt
Slide 9 - Tekstslide
Vermogen
Net als in de installatietechniek praten we in de elektrotechniek ook over vermogen.
De wet van ohm laat zien dat er een relatie is tussen stroom, spanning en weerstand, voor vermogen geldt dit ook.
Vermogen wordt uitgedrukt in watt (W)
Slide 10 - Tekstslide
Vermogen
(P = I2 x R of P = U2 : R)
P = elektrisch vermogen (W)
U = spanning (V)
I = stroomsterkte (A)
R = weerstand (Ω)
P = U x I
Slide 11 - Tekstslide
Vermogen
Een accu van 12 volt laat een lampje branden waardoor een stroom loopt van 0,025 Ampere, Wat is het vermogen van deze lamp ?
P = U x I
P = 12 x 0,025
P = 0,3 watt = 300 mW
Slide 12 - Tekstslide
Vermogen
Hoeveel vermogen mag er worden aangesloten op een 16A zekering voordat deze uitschakelt of doorbrandt als de spanning 230 Volt is ?
P = U x I
Slide 13 - Tekstslide
Vermogen
P = U x I
P = 230 x 16
P = 3680 Watt = 3,68 kW
Hoeveel vermogen mag er worden aangesloten op een 16A zekering voordat deze uitschakelt of doorbrandt als de spanning 230 Volt is ?
Slide 14 - Tekstslide
Vermogen
Een 2 pits kookplaat, werkend op 230 Volt heeft een vermogen van 2500 Watt, bereken de stroom welke er maximaal zal lopen
Slide 15 - Tekstslide
Vermogen
Een 2 pits kookplaat, werkend op 230 Volt heeft een vermogen van 2500 Watt, bereken de stroom welke er maximaal zal lopen
P = U x I
2500 = 230 x I
I = 2500 : 230
I = 10,87 Ampère
Slide 16 - Tekstslide
Gelijkstroom (DC )
Gelijk stroom heeft een constante stroomrichting.
Deze kan positief of negatief zijn.
De spanning is ook positief of negatief.
Batterijen, accu’s en brandstofcellen leveren gelijkstroom met een constante spanning en stroomsterkte.
Slide 17 - Tekstslide
Gelijkstroom (DC )
Slide 18 - Tekstslide
voorbeelden gelijkstroom
batterijen
accu boormachine
auto accu
Slide 19 - Tekstslide
Wisselstroom (AC )
Bij wisselstroom (AC, alternating current) verandert de stroomrichting regelmatig, in Europa 50 keer per seconde.
(50 Hz),
Slide 20 - Tekstslide
Wisselstroom (AC )
Wisselstroom wordt veel gebruikt in huizen en bedrijven omdat het efficiënter is voor het transporteren van elektriciteit over lange afstanden.
Slide 21 - Tekstslide
Voorbeelden wisselstroom
Slide 22 - Tekstslide
stroomschema
De stroomkring moet gesloten zijn om de lamp te laten branden.
Pas wanneer de schakelaar gesloten wordt, zal er stroom gaan lopen.