Je moet bekennen= je moet een kaart bijspelen van dezelfde kleur.
→Heb je niet meer een kaart van dezelfde kleur, dan moet je een kaart van een andere kleur bijspelen.
Slide 3 - Tekstslide
Aftroeven:
Bepaalde kleur heeft voorrang→ die kleur heet dan troef!
Harten is troef in dit geval.
Dit voorbeeld → aftroeven
Slide 4 - Tekstslide
Aftroeven:
Wanneer een speler niet kan bekennen, mag deze kiezen voor een willekeurige kleur, maar de speler mag ook een troefkaart bijspelen.
Slide 5 - Tekstslide
Overtroeven
Slide 6 - Tekstslide
Overtroeven:
Wanneer je niet kan kennen en kiest om een troefkaart bij te spelen, kan een volgende speler (wanneer deze ook niet kan bekennen) een troefkaart met een hogere waarde bijspelen en daarmee de slag winnen.
Overtroeven is niet verplicht.
Slide 7 - Tekstslide
Troef spelen:
een bepaalde kleur heeft voorrang
deze kleur heet dan troef
de troef kleur wint dan van de andere 3 kleuren
Slide 8 - Tekstslide
Sans atout:
zonder troef spelen
bij sans atout → belangrijk dat je samen met je partner heel veel kaarten in een kleur hebt.
Slide 9 - Tekstslide
Kaartwaardering:
Aas = 4 punten
Heer = 3 punten
Vrouw = 2 punten
Boer = 1 punt
Hoeveel punten zitten er in totaal in een spel?
Slide 10 - Tekstslide
Hoeveel punten heb je in je hand?
Slide 11 - Tekstslide
Goede of slechte hand?
Slide 12 - Tekstslide
Goede of slechte hand?
Slide 13 - Tekstslide
Vraag 1:
Slide 14 - Tekstslide
Sans atout (zonder troef): West speelt een kaart voor. Wie wind deze slag?
Vraag 2 a:
Vraag 2 b:
Slide 15 - Tekstslide
Vraag 3
Slide 16 - Tekstslide
Je wilt als zuid zo veel mogelijk slagen maken.
Met welke kaart begin je?
Vraag 4 a:
Vraag 4 b:
Slide 17 - Tekstslide
West begint: Hoe kun je als zuid 2 slagen maken?
Vraag 5 a: → V♣
Vraag 5 b: → ♥9
Slide 18 - Tekstslide
Wat is het puntenaantal van de volgende handen?
Vraag 6 a:
Vraag 6 b:
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
Slide 21 - Tekstslide
Mini bridge
eerst schudden
geven van de kaarten
je hand sorteren
dan tellen van de punten
Slide 22 - Tekstslide
Hoeveel punten heb je?
de gever begint met hardop zeggen van zijn/haar punten
daarna de speler links van hem/haar
met de wijzers van de klok
Slide 23 - Tekstslide
Wie gaat spelen?
de spelende partij is het paar met de meest punten
tegenspelers dus het paar met de minste punten
beide partijen evenveel punten? → de gever+partner de spelende partij.
Slide 24 - Tekstslide
Gesloten uitkomen:
→uitkomen betekent dat je de 1e kaart wilt gaan spelen.
Wat is gesloten uitkomen en waarom?
je houd je kaart op de kop (niemand kan zien wat er op de kaart staat) ►dit om te voorkomen dat de verkeerde speler begint met het spel (uitkomen)
wanneer alle spelers bevestigen dat de speler mag uitkomen (beginnen), draait de speler de kaart om
Gesloten uitkomen = een beschermingsmaatregel.
Slide 25 - Tekstslide
Spelende partij:
Speler met de hoogste punten → leider (declarer) van het spel.
Zijn/haar partner → dummy.
Dummy mag niets uit zichzelf doen, of zeggen!!! → niet actief.