Nut van de naamvallen

Het verband tussen 'naam' en 'val'?
1 / 26
volgende
Slide 1: Woordweb
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Het verband tussen 'naam' en 'val'?

Slide 1 - Woordweb

das het
Mutter moeder
Kuss zoen
gibt geeft
Kind kind
einen een
der de

Slide 2 - Tekstslide

Hoeveel woorden zag je zojuist?
A
6
B
5
C
7
D
8

Slide 3 - Quizvraag

Uit losse woorden één zin maken
=
Samenhang creëren
=
Verbanden tussen woorden leggen

Slide 4 - Tekstslide

Spelregel:
Elke samenhangende zin bevat altijd tenminste dit verband..
A
werkwoord - onderwerp
B
werkwoord - lijdend voorwerp
C
onderwerp - lijdend voorwerp
D
nee hoor; alleen het werkwoord is genoeg

Slide 5 - Quizvraag

Wat is hier de werkwoordsvorm?
das Mutter Kuss gibt Kind einen der
het moeder zoen geeft kind een de

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

das Mutter Kuss Kind einen der
gibt     geeft

Slide 8 - Tekstslide

Wat kan het onderwerp OW zijn?
A
Mutter
B
Kind
C
Kuss
D
Alledrie

Slide 9 - Quizvraag

das einen der
Mutter Kind Kuss - gibt
moeder kind zoen - geeft

Slide 10 - Tekstslide

maar wie geeft wie wat?

Slide 11 - Tekstslide

HOEVEEL ZINNEN kun je knutselen uit:
het - moeder - zoen - geeft - kind - een - de

Slide 12 - Open vraag

Er zijn 6 NL zinnen mogelijk!
Het kind geeft (aan) de moeder een zoen.
(Aan) Het kind geeft de moeder een zoen.
Een zoen : (dát) geeft de moeder (aan) het kind.
De moeder geeft (aan) het kind een zoen.
(Aan) De moeder geeft het kind een zoen.
Een zoen : (dát) geeft het kind (aan) de moeder.

Slide 13 - Tekstslide

Probleem! In het NL is niet duidelijk herkenbaar..
* OW = ?       Wie doet actief iets?
* MW = ?     Wie móet meedoen?
* LV = ?    Wat/Wie voert niks uit? 

Slide 14 - Tekstslide

Maar in het D is wel duidelijk herkenbaar..
Aha!
* Dát is het OW
* ..dát is het MW
* ..en dát is het LV 

Slide 15 - Tekstslide

Oplossing! De Duitse naamvallen

Slide 16 - Tekstslide

In het Duits is meteen duidelijk hoe de verbanden liggen binnen de zin.
Je herkent ze nl. aan de veranderende lidwoorden en de bijbehorende zelfstandige naamwoorden.
Daardoor weet je meteen…
•    Wie het actieve onderwerp is (= de zoen-gever)
•    Wie het meewerkende voorwerp is (= de zoen-ontvanger)
•    Wat het lijdend voorwerp is (= de zoen).
Dit is het naamvallen-systeem.

Slide 17 - Tekstslide

(D) der, die, das = de, het (NL)
A
correct
B
fout

Slide 18 - Quizvraag

(D) ein, kein = een, geen (NL)
A
fout
B
correct

Slide 19 - Quizvraag

Slide 20 - Tekstslide

Zo zien lidwoord + znw eruit als ze in een zin het actieve onderwerp zijn = 1e naamval!
der Kuss – de zoen                                                     ein Kuss - een zoen
die Mutter - de moeder                                eine Mutter - een moeder
das Kind - het kind                                                        ein Kind - een kind
die Schüler - de leerlingen             keine Schüler - geen leerlingen

..Das Kind..

Slide 21 - Tekstslide

Zo zien lidwoord + znw eruit als ze in een zin het lijdend voorwerp zijn = 4e naamval!
den Kuss - de zoen                                               einen Kuss - een zoen
die Mutter - de moeder                                eine Mutter - een moeder
das Kind - het kind                                                        ein Kind - een kind
die Schüler - de leerlingen             keine Schüler - geen leerlingen

..einen Kuss..

Slide 22 - Tekstslide

En zo zien lidwoord + znw eruit als ze in een zin het meewerkende voorwerp zijn = 3e naamval!
dem Kus - de zoen                                              einem Kuss - een zoen
der Mutter - de moeder                             einer Mutter - een moeder
dem Kind - het kind                                              einem Kind - een kind
den Schülern - de leerlingen   keinen Schülern - geen leerlingen

..der Mutter..

Slide 23 - Tekstslide

Das Kind gibt der Mutter einen Kuss.
Wat is 'Das Kind'?
A
OW. Lidwoord past èn staat naast werkwoord
B
LV. Lidwoord past toch?
C
MW.

Slide 24 - Quizvraag

Das Kind gibt der Mutter einen Kuss.
Wat is 'einen Kuss'?
A
OW.
B
LV. Kijk maar naar het lidwoord 'einen'.
C
MW.

Slide 25 - Quizvraag

Das Kind gibt der Mutter einen Kuss.
Wat is 'der Mutter'?
A
Weet niet. Mutter is toch altijd 'die'?
B
OW. Staat toch naast het werkwoord?
C
LV.
D
MW. Kijk maar naar het lidwoord 'der'.

Slide 26 - Quizvraag