2E 01-04

Regels in de klas
  1.  Je hebt je spullen voor Nederlands bij je.
  2. Je let op als ik iets vertel/uitleg.
  3. Je bent geconcentreerd met je werk bezig.
  4. Aan het einde van de les staat je tafel recht en is je stoel aangeschoven.
  5. We gaan respectvol om met de docent en met elkaar.


1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Regels in de klas
  1.  Je hebt je spullen voor Nederlands bij je.
  2. Je let op als ik iets vertel/uitleg.
  3. Je bent geconcentreerd met je werk bezig.
  4. Aan het einde van de les staat je tafel recht en is je stoel aangeschoven.
  5. We gaan respectvol om met de docent en met elkaar.


Slide 1 - Tekstslide

Als je je niet aan de regels houdt
  1.  Mondelinge waarschuwing.
  2. Naam op het bord met het 1e streepje achter je naam.
  3. 2e streepje = nablijven of uitgestuurd.

Slide 2 - Tekstslide

Programma 2E woensdag 01-04
  • Lezen
  • Terugblik
  • Video van een debat (andere dan vorige keer)
  • Schrijfopdracht > probeer iemand te overtuigen.

Slide 3 - Tekstslide

Lezen


Heb je dyslexie? Dan mag je een verhaal voor laten lezen op je Chromebook.




Slide 4 - Tekstslide

Terugblik. 

Slide 5 - Tekstslide

Wat is een debat ook alweer?

Slide 6 - Tekstslide

Welke rollen zijn er ook alweer in een debat?

Slide 7 - Tekstslide

De rollen in een debat
  • Voorzitter > begeleid het debat. Doet zelf niet mee.
  • De partijen > proberen elkaar te overtuigen van elkaars standpunt. Dat doen ze door zelf argumenten in te brengen en door de argumenten van de andere partij te weerleggen.
  • Publiek > luistert goed naar beide partijen en bepaalt dan met wie ze het eens zijn.

Slide 8 - Tekstslide

Welke verschillen zijn er tussen een debat en een discussie?

Slide 9 - Tekstslide

Welke overeenkomsten zijn er tussen een debat en een discussie?

Slide 10 - Tekstslide

Weet je nog?
Je moet in een debat goed je mening kunnen geven en deze uitleggen met argumenten. Je wilt de ander overtuigen van jouw standpunt.

Slide 11 - Tekstslide

Mening vormen
Om je mening te kunnen geven, moet je eerst zelf je mening vormen. Dat doe je met de informatie die je hebt. 


Slide 12 - Tekstslide

Denk hier eens over na
Hoe kun je eigenlijk aan informatie komen?

Slide 13 - Tekstslide

Hoe meer informatie je hebt, des te beter kun je een mening vormen.

Slide 14 - Tekstslide

Vraag
Waarom is het eigenlijk belangrijk om een eigen mening te hebben/vormen?

Slide 15 - Tekstslide

Waarom het belangrijk is om een eigen mening te vormen
Het is belangrijk om je eigen mening te vormen, omdat je dan niet zomaar alles gelooft wat anderen zeggen

Stel je voor dat iemand zegt: "Deze schoenen zijn de beste!" – als je er niet zelf over nadenkt, koop je misschien iets wat je eigenlijk niet fijn vindt

Slide 16 - Tekstslide

Waarom het belangrijk is om een eigen mening te vormen
Door kritisch te zijn, leer je goed nadenken: Klopt dit echt? Is het logisch? Wat vind ík ervan? Dit helpt je niet alleen bij school, maar ook in het dagelijks leven. Zo kun je zelf beslissingen nemen en word je niet zomaar beïnvloed door anderen.

Slide 17 - Tekstslide

Conclusie
Kortom: als je een eigen mening hebt en kritisch denkt, sta je sterker in het leven! Je wordt dan minder makkelijk beïnvloed door anderen.

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht
We hadden vorige keer een stukje van een debat over het volkslied gekeken. We kijken nu naar het volgende stukje met 2 andere sprekers. 

Je moet ergens op gaan letten...

Slide 19 - Tekstslide

Hier moet je op gaan letten
  1. Vind je hem/haar overtuigend?
  2. Wat vind je dat hij/zij goed doet?
  3. Wat doet ze/hij volgens jou minder goed?

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Wat vond je van deze spreekster?
  1. Vond je hem/haar overtuigend?
  2. Wat vond je dat hij/ze goed deed?
  3. Wat was volgens jou minder goed?

Slide 22 - Tekstslide

Opdracht: overtuig iemand van jouw mening
  • Ik deel je de opdracht uit. 
  • Je leest de opdracht.
  • Je maakt de opdracht.
  • Hulp > zie het voorbeeld op je blad.
  • Klaar? Maak de uitdagingsopdracht (#4).

Slide 23 - Tekstslide

Bespreken
  1. Welke stelling heb je gekozen?
  2. Was je voor of tegen?
  3. Wat waren je argumenten?
  4. Is er iemand uit de klas die een andere mening heeft en wil reageren?

Slide 24 - Tekstslide

Spel uit de beweegpot

Slide 25 - Tekstslide