Module 8 - Katern havo 5

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?


  • Nakijken nieuwe examenvragen - Framing
  • Samenvatten



Slide 2 - Tekstslide

Let op!

Uiterlijk vrijdag 20 december snelhechter aangevuld + inleveren!

Opdracht ook uploaden in Magister.

Slide 3 - Tekstslide

Nieuw Nederlands katern havo 5
258 t/m 262
Nieuw type vragen

Slide 4 - Tekstslide

Framing



Framing

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Figuurlijk taalgebruik
Stijlmiddelen kunnen met name in overtuigende zakelijke teksten worden gebruikt om de lezer te beïnvloeden. Door middel van figuurlijk taalgebruik kan de lezer gemanipuleerd worden. Bij vragen over figuurlijk taalgebruik moet je bijvoorbeeld vaststellen (1) in welke richting een auteur de lezers van de tekst probeert te sturen door de keuze voor een bepaalde beeldspraak, en (2) in hoeverre de gebruikte beeldspraak correct en functioneel is (of juist manipulatief).

Slide 7 - Tekstslide

Tekst 1 - Kindermarketing in vlogs

Slide 8 - Tekstslide

Nakijken
Opdracht 1 t/m 4
(blz 259 t/m 262)

Slide 9 - Tekstslide

Opdracht 1a
“Nou ja zeg… Als je de overige foto’s van haar Insta bekijkt […] dan zie je dat zij hartstikke dun is.” (regels 17-21)

Met deze opmerking reageert de auteur op de woorden die Gabi Blaaser bij een van haar eigen Instagramfoto’s heeft geplaatst.

Slide 10 - Tekstslide

Welke emotie van de auteur blijkt uit deze opmerking, gezien het vervolg van de tekst?
A
boosheid
B
jaloezie
C
teleurstelling
D
verbazing

Slide 11 - Quizvraag

Toelichting

De auteur verbaast zich erover dat de superdunne Gabi vindt dat ze haar eetgewoontes moet aanpassen.

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 1b
In tekst 1 drukt de auteur zich spottend uit. Het woord “mallotige” (regel 32) is daar een voorbeeld van.

Noteer onder elkaar vier andere, inhoudelijk verschillende, formuleringen uit de alinea’s 2 tot en met 6 die spot uitdrukken.

Slide 13 - Tekstslide

Noteer onder elkaar vier andere, inhoudelijk verschillende, formuleringen uit de alinea’s 2 tot en met 6 die spot uitdrukken.

Slide 14 - Open vraag

Opdracht 1c
Uit tekst 1 is een bepaalde houding af te leiden van de auteur ten opzichte van het Commissariaat van de Media wat betreft de richtlijnen voor vloggers.

Hoe is die houding het best te omschrijven?

Slide 15 - Tekstslide


Hoe is die houding het best te omschrijven?
A
afwachtend en kritisch
B
afwachtend, maar positief
C
kritisch, maar vol vertrouwen
D
wantrouwig en negatief

Slide 16 - Quizvraag

Toelichting
Het Commissariaat heeft regels gemaakt, maar meer dan de helft van de vloggers houdt zich er niet aan. Nu gaat men er ‘nog eens naar kijken’. De regels blijken ook maar ‘langzaam’ effect te hebben, terwijl er volgens de auteur strenge regels nodig zijn. Hij moet nog zien of het allemaal in orde komt. Hij is dus kritisch en afwachtend.

Je kunt het antwoord ook vinden door te elimineren: wegstrepen wat zeker fout is. Dan valt B af vanwege het woord ‘positief’, C vanwege de woorden ‘vol vertrouwen’ en D vanwege het woord ‘negatief’. Dat bij de keuzemogelijkheden de woorden ‘afwachtend’ (A en B) en ‘kritisch’ (A en C) bij twee letters genoemd worden, kun je als aanwijzing zien dat die woorden wel bij het juiste antwoord zullen horen: A dus.

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 2
Lees tekst 2 Leve de vleesetende vegetariër – Wantrouw de rechtlijnigen en beantwoord de vraag.


Met welke omschrijvingen is de toon in de alinea’s 7 en 8 het best te typeren?

Slide 18 - Tekstslide

Met welke omschrijvingen is de toon in de alinea’s 7 en 8 het best te typeren?
A
betweterig en minachtend
B
spottend en overdrijvend
C
verwijtend en vol onbegrip
D
waarschuwend en nieuwsgierig

Slide 19 - Quizvraag

Toelichting
Als je een woord als ‘betweterig’ niet kent, kun je de betekenis ervan opzoeken in een woordenboek.

De zinnen ‘Wat doe je met hen? In de versnipperaar? Of wegstoppen in een laatje?’ wijzen op spot

Zinsneden als ‘we stoppen ze in inrichtingen of vluchtelingenkampen, bij voorkeur buiten de bewoonde wereld’ en ‘Verdelgen?’ wijzen op overdrijving.

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 3a

Bron 1 bevat meerdere voorbeelden van figuurlijk taalgebruik dat met het tekstthema te maken heeft, zoals ‘stralende toekomst’

Citeer twee andere voorbeelden van dergelijk figuurlijk taalgebruik in bron 1.

Slide 21 - Tekstslide

Citeer twee andere voorbeelden van dergelijk figuurlijk taalgebruik in bron 1.

Slide 22 - Open vraag

Opdracht 3b

Figuurlijk taalgebruik kan onder meer gebruikt worden om de aandacht van de lezer te trekken.

Welke drie andere effecten van figuurlijk taalgebruik heeft de schrijver van bron 1 waarschijnlijk beoogd?

Slide 23 - Tekstslide

Welke drie andere effecten van figuurlijk taalgebruik heeft de schrijver van bron 1 waarschijnlijk beoogd?
A
Zin 1, 2, 3
B
Zin 2, 4, 5
C
Zin 2, 3, 5
D
Zin, 1, 4, 5

Slide 24 - Quizvraag

Toelichting
Antwoord 3 is het meest onjuist, want de tekst pleit zeker niet voor kernenergie. De auteur is juist tegen kernenergie. 

Antwoord 2 is ook niet juist, want de gevallen van figuurlijk taalgebruik zijn niet gericht tegen (de geloofwaardigheid van) politici. 

Dus blijven antwoord 1, 4 en 5 over met betrekking tot de waarschijnlijke (!) bedoelingen van de auteur.

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 3c

In regel 14 van bron 1 wordt gesproken over een klantvriendelijk adviesbureau dat concludeert dat atoomenergie kan concurreren met 
zon- en windenergie.

Welk effect heeft het gebruik van de term “klantvriendelijk” hier?


Slide 26 - Tekstslide


De term “klantvriendelijk”...
A
benadrukt...
B
impliceert...
C
laat zien...
D
suggereert...

Slide 27 - Quizvraag

Toelichting
De minister wil graag kernenergie toepassen (naast andere manieren van elektriciteitsopwekking). 

Als een onderzoeksbureau een ‘klantvriendelijk’ advies geeft, staat de uitkomst dus bij voorbaat vast: het bedrijf adviseert in de richting van de wens van de minister die het bedrijf inhuurt: kernenergie is haalbaar.

Slide 28 - Tekstslide

Opdracht 3d

Een kritisch lezer zou kunnen zeggen dat de titel van bron 1 een woordspeling bevat en dat de auteur hiermee probeert de lezer te beïnvloeden.

Leg uit welke woordspeling dat is en geef aan op welke manier de lezer daarmee beïnvloed kan worden. Geef antwoord in één of meer volledige zinnen.


Slide 29 - Tekstslide

Leg uit welke woordspeling dat is en geef aan op welke manier de lezer daarmee beïnvloed kan worden.
Geef antwoord in één of meer volledige zinnen.

Slide 30 - Open vraag

Opdracht 4

Wat is volgens bron 3 het gevolg van een opvoeding door curlingouders?
Geef antwoord in één of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.


Slide 31 - Tekstslide

Wat is volgens bron 3 het gevolg van een opvoeding door curlingouders?
Geef antwoord in één of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

Slide 32 - Open vraag

Katern havo 5 
Vragen?

Slide 33 - Tekstslide

Huiswerk 6 januari
Nieuw Nederlands Cursus 10
par. 1 t/m 3 (t/m argumenteren): 
alle opdrachten die we niet samen hebben gemaakt af

Slide 34 - Tekstslide

Nieuw Nederlands
Cursus 10 Eindexamen
Samenvatten

Slide 35 - Tekstslide

Samenvatten
Onder de vaardigheid Samenvatten vallen drie deelvaardigheden:
1 een tekst reduceren tot hoofduitspraken;
2 de informatie in een tekst ordenen;
3 een samenvatting beoordelen.

Slide 36 - Tekstslide

Hoofdgedachte
Op het examen kun je vragen verwachten als:
• Citeer de zin die de hoofdgedachte van tekstdeel x het beste weergeeft.
• Welke van de zinnen A tot en met D geeft de hoofdgedachte van tekstdeel x het beste weer?
• Formuleer de hoofdgedachte van tekstdeel x in één zin. Bij deze opdracht is er meestal niet één zin in de tekst die de hoofdgedachte weergeeft.
• Welke van de zinnen A tot en met D geeft de hoofdgedachte van de gehele tekst het beste weer?

Slide 37 - Tekstslide

Tips bij vaststellen hoofdgedachte
• Het gaat om de zin die de hoofdgedachte het béste weergeeft. De foute antwoorden zijn meestal geen onzinnige beweringen, maar er is maar één antwoord het beste.
• Het gaat om de héle tekst. Kijk voordat je A, B, C of D kiest, nog even naar de indelingsvraag. Daar worden de deelonderwerpen genoemd. Door daarop te letten, kun je soms foute antwoorden wegstrepen: zinnen die wél de hoofdgedachte van een deelonderwerp weergeven, maar níét van de hele tekst.

Slide 38 - Tekstslide

Tips bij vaststellen hoofdgedachte
• Lees voordat je de vraag beantwoordt, nog even de titel van de tekst; deze geeft soms aanwijzingen over de hoofdgedachte van de tekst.
• Kijk naar (je antwoord op) de vraag over het schrijfdoel of de tekstsoort. Informerende teksten hebben een constatering als hoofdgedachte, overtuigende teksten een standpunt.
• Het juiste antwoord is vaak een microsamenvatting van de tekst; de juiste hoofdgedachte bestaat vaak uit enkele aan elkaar geplakte zinsgedeelten uit de hele tekst.

Slide 39 - Tekstslide

Tips bij vaststellen hoofdgedachte
De handigste manier om de hoofdgedachte te kiezen is elimineren. Lees eerst alle opties. Lees dus ook verder als je denkt dat je het goede antwoord gevonden hebt: misschien is er nog een beter antwoord. 

Ga vervolgens wegstrepen: verwerp de minder goede antwoorden tot het beste antwoord overblijft.

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Video

Opdracht 2
(1p) Formuleer de hoofdgedachte van tekst 1 ‘Ik was, dus ik ben’ in één zin. 

Geef antwoord in een volledige zin en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 30 woorden.

Slide 42 - Tekstslide

(1p) Formuleer de hoofdgedachte van tekst 1
‘Ik was, dus ik ben’ in één zin.

(volledige zinnen, max. 30 woorden)

Slide 43 - Open vraag

Opdracht 3
Lees Mannen? Nee vrouwen zijn bevoorrecht en beantwoord de vragen.

(1p) Hoe kan de strekking van alinea 6 van tekst 2 het beste worden samengevat? 

Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 20 woorden.

Slide 44 - Tekstslide

Hoe kan de strekking van alinea 6 van tekst 2 het beste worden samengevat?

(volledige zinnen, max. 20 woorden)

Slide 45 - Open vraag