In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Oefentoets Goederen- en verbintenissenrecht OP3
Slide 1 - Tekstslide
Wat zijn de twee kenmerken van vermogensrechten:
Slide 2 - Open vraag
Absoluut recht
Relatief recht
Overeen-
komst
Appartementsrecht
Recht van een persoon ten opzichte van een bepaald ander persoon
Eigendom
Moet door iedereen worden gerespectrd
Slide 3 - Sleepvraag
Waar vind je de definitie van 'zaken' in de wet?
Slide 4 - Open vraag
1. Geef een voorbeeld van een onroerende zaak. 2. Waar staat de definitie van onroerende zaken in de wet?
Slide 5 - Open vraag
Het spaarsaldo op een bankrekening is een:
A
Onroerende zaak
B
Vermogensrecht
Slide 6 - Quizvraag
Goederen kunnen worden onderverdeeld in registergoederen en niet-registergoederen. Noem de 3 registergoederen!
Slide 7 - Open vraag
In welk artikel is opstal geregeld? Noteer het artikel op de juiste wijze!
Slide 8 - Open vraag
Wat is het recht van opstal?
A
Het meest omvattende recht dat een persoon op een goed kan hebben.
B
Het recht om een onroerende zaak langdurig te gebruiken.
C
Het recht om het goed van een ander te gebruiken en de opbrengst ervan te genieten.
D
Het recht om in, op of boven de grond van een ander gebouwen of beplantingen in eigendom te hebben.
Slide 9 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van en erfdienstbaarheid?
A
Een appartement
B
Het recht van overpad
Slide 10 - Quizvraag
Een boer wil de zorg voor zijn appelboomgaard een soort van overdragen aan een jonge boer. Die moet de oogst dan ook mogen verkopen. De boer wil zijn grond nog niet verkopen. Welk recht moet de boer op het erf laten vestigen?
A
Appartementsrecht
B
Erfdienstbaarheid
C
Hypotheekrecht
D
Vruchtgebruik
Slide 11 - Quizvraag
Welke twee rechten zijn zekerheidsrechten voor bijvoorbeeld een geldlening?
A
Pand en hypotheek
B
Erfdienstbaarheid en erfpacht
C
Eigendom en Appartementsrecht
Slide 12 - Quizvraag
Volgens het goederenrecht kan men op twee manieren eigenaar worden. Welke zijn dat?
Slide 13 - Open vraag
Wat zijn de eisen voor een geldige overdracht volgens art. 3:84 BW?
Slide 14 - Open vraag
Verkrijging onder algemene titel
Verkrijging onder bijzondere titel
Samira is de enige erfgename van haar man. Ze wordt dus eigenaar van al zijn eigendommen.
De bedrijven Ahold en Delhaize gaan fuseren. Ze worden dus samen eigenaar van alle eigendommen.
Eric koopt een VW Golf van Willem. Eric wordt eigenaar van de VW.
Selwa vindt een fiets in het bos. Ze brengt de fiets naar de gemeente. Een jaar later belt de gemeente haar op. De eigenaar heeft zich niet gemeld. Selwa is nu eigenaar van de fiets door vinderschap.
Slide 15 - Sleepvraag
Kun je door verjaring eigenaar worden van een goed?
A
Ja, dat kan en van roerende zaken ben je sneller eigenaar dan van onroerende zaken op deze manier.
B
Nee, je kunt op deze manier nooit eigenaar worden
C
Dit is afhankelijk van de goede of kwade trouw.
Slide 16 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van een verbintenis uit overeenkomst?
A
koop
B
onrechtmatige daad
C
onverschuldigde betaling
Slide 17 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van een verbintenis uit de wet?
A
arbeid
B
huur
C
zaakwaarneming
Slide 18 - Quizvraag
Soms wordt er een vergissing gemaakt bij een aanbod, bijvoorbeeld als een tv wordt aangeboden voor € 99,00 in plaats van € 999,00. Wat is hierbij het juridische probleem?
A
De wil van de aanbiedende persoon wijkt af van de wilsverklaring.
B
De aanbiedende persoon is niet handelingsbekwaam.
C
De aanbiedende persoon is niet handelingsbevoegd.
Slide 19 - Quizvraag
Sanne gaat tussen de middag naar de Albert Heijn en ziet daar een fantastische aanbieding: 5 pakjes chocolade-eitjes voor maar € 5,00. Ze pakt 5 van haar favoriete eitjes en loopt naar de kassa. Bij de kassa aangekomen moet zij echter € 5,50 afrekenen. Sandra is woest, want dit is volgens haar misleiding! Op welk beginsel kan Sandra zich beroepen om de eitjes toch voor € 5,00 mee te nemen? (Let op: hier is één specifiek beginsel het meest van toepassing!)
A
Beginsel van behoorlijk bestuur.
B
Beginsel van redelijkheid en billijkheid.
C
Vertrouwensbeginsel.
Slide 20 - Quizvraag
Een vernietigbare rechtshandeling is helemaal vanaf het begin ongeldig.
A
waar
B
niet waar
Slide 21 - Quizvraag
Noem één van de vier wilsgebreken.
Slide 22 - Open vraag
Een overeenkomst komt tot stand door ... en ... . Waar staat dit in de wet?
Slide 23 - Open vraag
Wat kun je het beste eisen als iemand wordt gestalkt?
A
Herstel in oorspronkelijke toestand
B
Rectificatie
C
Schadevergoeding
D
Verbod van de onrechtmatige handeling
Slide 24 - Quizvraag
Ouders hebben een schuldaansprakelijkheid voor hun kinderen tot en met
A
11 jaar
B
13 jaar
C
15 jaar
Slide 25 - Quizvraag
Sam van 11 jaar heeft een bushokje vo graffiti bespoten. Wie is aansprakelijk voor de door Sam veroorzaakte schade?
A
De ouders van Sam
B
Sam
C
Zowel Sam als zijn ouders
Slide 26 - Quizvraag
Guus van 14 jaar heeft een auto vernield. Wie is aansprakelijk voor de door Guus aangerichte schade?
A
De ouders van Guus
B
Guus
C
Zowel Guus als zijn ouders.
Slide 27 - Quizvraag
Ibrahim van 17 jaar oud heeft een tuinornament van de buren kapot gemaakt. Wie is aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade?
A
De ouders van Ibrahim
B
Ibrahim
C
Zowel Ibrahim als zijn ouders
Slide 28 - Quizvraag
Wie is aansprakelijk voor de schade die een werknemer tijdens het werk aanricht?
A
De werkgever
B
De werknemer
Slide 29 - Quizvraag
Wat is de beste eis als iemand in de krant onware dingen over iemand schrijft?
A
Herstel in de oorspronkelijke staat.
B
Rectificatie.
C
Schadevergoeding.
D
Verbod van de handeling.
Slide 30 - Quizvraag
Jeroen maakt een kras in de auto van Janneke. Van welke verbintenis uit de wet is hier sprake?
A
Ongerechtvaardigde verrijking.
B
Onrechtmatige daad.
C
Onverschuldigde betaling.
D
Zaakwaarneming.
Slide 31 - Quizvraag
Senna betaalt per ongeluk € 20 aan Sarah E. in plaats van aan Sara E. Van welke verbintenis is hier sprake?
A
Ongerechtvaardigde verrijking.
B
Onrechtmatige daad.
C
Onverschuldigde betaling.
D
Zaakwaarneming.
Slide 32 - Quizvraag
Lara heeft een bruidsjurk besteld. De jurk moest op 15 maart 2024 worden geleverd. Vanwege persoonlijke omstandigheden van de naaister wordt de jurk pas op 19 maart 2024 geleverd. Van welke vorm van niet-nakoming is hier sprake?
A
De prestatie is helemaal niet verricht
B
De prestatie is gedeeltelijk verricht.
C
De prestatie is niet op tijd verricht.
D
De prestatie is niet goed verricht.
Slide 33 - Quizvraag
Met welk stuk antwoord de gedaagde in een dagvaardingsprocedure?
A
Comparitie
B
Conclusie van antwoord
C
Dagvaarding
D
Vonnis
Slide 34 - Quizvraag
Wat is de benaming van de andere partij in een verzoekschriftprocedure?
A
Dagvaarder
B
Gedaagde
C
Beschikker
D
Verweerder
Slide 35 - Quizvraag
We hebben in Nederland in verschillende soorten rechters. Naar welke instantie je moet gaan, wordt bepaald door de regels van de:
A
Relatieve competentie
B
Absolute competentie
Slide 36 - Quizvraag
Naar welke instantie gaat de vraag over de ontbinding van een huurovereenkomst in eerste aanleg?
A
Rechtbank, sector civiel
B
Rechtbank, sector kanton
C
Gerechtshof
D
Hoge Raad
Slide 37 - Quizvraag
Hoe heet het rechtsmiddel dat je kunt instellen tegen een uitspraak van het Gerechtshof?