Wiskunde examentraining - D. Meetkunde

Wiskunde examentraining 
Onderdeel D. Meetkunde
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 38 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Wiskunde examentraining 
Onderdeel D. Meetkunde

Slide 1 - Tekstslide

Tabellen, grafieken en formules

  • D1. Voorstellingen van objecten 
  • D2. Rekenen met figuren en hoeken
  • D3. Redeneren en tekenen

Slide 2 - Tekstslide

Voorstellingen van objecten
Meetkunde = houdt zich bezig met ruimtelijke figuren
  • Je moet deze kunnen interpreteren
  • Bijvoorbeeld met een tekening of plattegrond

Slide 3 - Tekstslide

Tekening of plattegrond
Kan de automobilist de fietsers
zien?

Hiervoor moet je kijklijnen
tekenen (lijn waarlangs je 
kijkt)

Slide 4 - Tekstslide

Tekening of plattegrond

Slide 5 - Tekstslide

Aanzichten
Aanzicht = een bepaalde kijkrichting vanuit een vlakke weergave

Slide 6 - Tekstslide

Aanzichten
Uitslag = als je een object 'open vouwt' waardoor er een vlak figuur ontstaat

Slide 7 - Tekstslide

Tabellen, grafieken en formules

  • D1. Voorstellingen van objecten 
  • D2. Rekenen met figuren en hoeken
  • D3. Redeneren en tekenen

Slide 8 - Tekstslide

Figuren
Je moet op het examen vlakke figuren en ruimtelijke figuren kennen 

Vlakke figuren: oppervlakte en omtrek
Ruimtelijke figuren: oppervlakte, omtrek, inhoud

Slide 9 - Tekstslide

Vlakke figuren
Driehoek
  • 3 zijden, 3 hoeken
  • Som van hoeken is 180 graden
  • Oppervlakte = 0,5 x zijde x hoogte

Slide 10 - Tekstslide

Vlakke figuren
Parallellogram
  • Vierhoek
  • Twee paren evenwijdige lijnen
  • Som van hoeken is 360 graden
  • Oppervlakte = zijde x hoogte

Slide 11 - Tekstslide

Vlakke figuren
Rechthoek
  • Vier rechte hoeken en vier zijkanten
  • Overliggende zijden even lang
  • Som van hoeken is 360 graden
  • Oppervlakte = lengte x breedte
  • Omtrek = 2 x (lengte + breedte)

Slide 12 - Tekstslide

Vlakke figuren
Vierkant
  • Vier rechte hoeken en vier even lange zijden
  • Overliggende zijden even lang
  • Som van hoeken is 360 graden
  • Oppervlakte = lengte x breedte
  • Omtrek = 2 x (lengte + breedte)

Slide 13 - Tekstslide

Vlakke figuren
Ruit
  • Vierhoek met vier even lange zijden
  • Tegenoverliggende hoeken even groot
  • Diagonalen verdeeld de ruit in 4 driehoeken
  • Oppervlakte = 4 x oppervlakte driehoek

Slide 14 - Tekstslide

Vlakke figuren
Cirkel
  • Ronde, gesloten lijn
  • Diameter = breedte hele cirkel
  • Straal = middelpunt tot de rand
  • Oppervlakte = pi x r² 
  • Omtrek = pi x d

Slide 15 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Kubus
  • Vierkant blok (lengte = breedte = hoogte)
  • 6 zijvlakken - vierkant
  • Oppervlakte zijvlak = lengte x breedte
  • Inhoud = lengte x breedte x hoogte

Slide 16 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Balk
  • Rechthoekig blok 
  • 6 zijvlakken - rechthoek
  • Inhoud = lengte x breedte x hoogte

Slide 17 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Prisma
  • Veelvlak, alle vlakken (behalve 2) een rechthoek
  • Grondvlak = onderste vlak
  • Inhoud = oppervlakte grondvlak x hoogte

Slide 18 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Piramide
  • Veelhoek met 1 grondvlak en 4 driehoekige zijvlakken
  • Inhoud = (1/3) x oppervlakte grondvlak x hoogte

Slide 19 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Cilinder
  • Buisvormig figuur
  • Grondvlak = cirkel
  • Inhoud = oppervlakte grondvlak x hoogte
  • Inhoud = pi x r² x hoogte

Slide 20 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Kegel
  • Grondvlak = cirkel
  • Loopt uit in een punt
  • Inhoud = (1/3) x oppervlakte grondvlak x hoogte

Slide 21 - Tekstslide

Ruimtelijke figuren
Bol
  • Alle punten van de buitenkant zijn even ver van het middelpunt 
  • Inhoud = (4/3) x pi x r²

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Berekenen van hoeken
Ga bij SOSCASTOA als volgt te werk:
  1. Heeft de driehoek een rechte hoek? Zo ja, dan SOSCASTOA
  2. Bepaal de rechte hoek
  3. Bepaalde schuine zijde (langste zijde, tegenover de rechte hoek)
  4. Ga in de hoek staan die je moet berekenen of hebt gekregen

Slide 24 - Tekstslide

Berekenen van hoeken
Ga bij SOSCASTOA als volgt te werk:
5. Kijk vanaf die hoek naar de overkant: dit is de overstaande zijde
6. De zijde die overblijft is de aanliggende zijde
7.  Nu kijk je welke knop je moet gebruiken (sinus, cosinus of tangens) 

Slide 25 - Tekstslide

Berekenen van hoeken
SOSCASTOA:

Slide 26 - Tekstslide

Berekenen van hoeken
Moet je de graden van een hoek berekenen? 
  • Doe de som 
  • Gebruik SHIFT tan, sin, cos

Moet je de zijde berekenen?
  • Doe de som
  • Doe daarna de x of : som

Slide 27 - Tekstslide

Stelling van Pythagoras
Zijde
Kwadraat
RHZ = AB
RHZ = AC
                              +
LZ = BC

Slide 28 - Tekstslide

Tabellen, grafieken en formules

  • D1. Voorstellingen van objecten 
  • D2. Rekenen met figuren en hoeken
  • D3. Redeneren en tekenen

Slide 29 - Tekstslide

Redeneren en tekenen
Regelmatig patroon = wanneer in een figuur hetzelfde patroon wordt herhaald

Evenwijdig = wanneer twee lijnen parallel lopen

Slide 30 - Tekstslide

Redeneren en tekenen
Regelmatig patroon = wanneer in een figuur hetzelfde patroon wordt herhaald

Evenwijdig = wanneer twee lijnen parallel lopen

Slide 31 - Tekstslide

Vergrotingsfactor

Slide 32 - Tekstslide

Symmetrieën
  • Lijnsymmetrisch  als je het zo kan dubbelvouwen dat het precies op elkaar past

Slide 33 - Tekstslide

Symmetrieën
  • Draaisymmetrisch = als het na minder dan een hele draai precies op zichzelf past

Slide 34 - Tekstslide

Koersen
Koers = manier om plaatsen op een kaart te bepalen
  • Koershoek
  • Afstand tot een punt
  • Lijn richting het noorden


Slide 35 - Tekstslide

Ruimtecoördinaten
Ruimtecoördinaat (X, Y, Z)



Slide 36 - Tekstslide

Hoogtekaarten
Hoogtelijnen = lijnen met een hoogte erbij geschreven
  • Dicht op elkaar: steile berg
  • Verder uit elkaar: minder steile berg


Slide 37 - Tekstslide

Aan de slag
Opdracht:
  • Oefenboek onderdeel D

Slide 38 - Tekstslide