olw = onbepaald lidwoord een
blw = bepaald lidwoord de/het
znw = zelfstandig naamwoord: mensen, dieren, dingen, aardrijkskundige namen, eigen namen
bn = bijvoeglijk naamwoord (geeft eigenschap of een toestand van een zn aan)
st.bn = stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: gouden
bw = bijwoord: Waar? -hier, daar. Wanneer? -dan, toen, morgen. Hoe? Waarom? Zegt iets over: bn, ww, een ander bw.
vz = voorzetsel: in, op, tijdens, gedurende (het feestje)
zww = zelfstandig werkwoord 100% ww : doet iets
hww = hulpwerkwoord <100% ww : hebben, kunnen, mogen, moeten, willen, worden, zijn, zullen.
pers. vnw = persoonlijk voornaamwoord : zij, hij, ze, jullie, het (regent)
bez.vnw = bezittelijk voornaamwoord : mijn, jouw, jullie, ons
vr. vnw = vragend voornaamwoord: wie, wat welke, wat voor (een) (4)
aanw. vnw = voornaamwoord: dit, dat, die deze/zulke, zo'n, dergelijke/dezelfde, hetzelfde, diezelfde, datzelfde, datgene
kww = koppelwerkwoord 100% ww : is iets
(9)zijn-worden-blijven-blijken-lijken-schijnen(heten-dunken-voorkomen)
onbep.hoofdtelw = onbepaald hoofdtelwoord : veel, sommige, alle
onbep.rangtelw = onbepaald rangtelwoord : middelste, laatste, zoveelste
bep.hoofdtelw = bepaald hoofdtelwoord : vier
bep.rangtelw = bepaald rangtelwoord : tweede
vw = voegwoord os.vgw = onderschikkend voegwoord: omdat, doordat, want enz.
ns.vgw = nevenschikkend voegwoord: dus, en, maar, of en want (5)
betr. vnw = betrekkelijk voornaamwoord : de jongen, die ... / het alarm, dat ...
onbep. vnw = onbepaald voornaamwoord : alles, elke, iedereen, (n)iemand, iets, niets, sommige(n), vele(n)
tussenw. = tussenwerpsel : jakkes, ah, oh, tsjongejonge wed.vnw = wederkerende voornaamwoorden: me, ons, zich
wedig.vnw =wederkerige voornaamwoorden: elkaar, elkander, mekaar