Cursus 5 woordsoorten- § 10 voegwoord

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag.
Kleine terugblik.
Herhaling samengestelde zinnen.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'nevenschikkend en onderschikkend voegwoord.''
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Introductie

Les over zinnen en zinsstructuur.

Onderdelen in deze les

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag.
Kleine terugblik.
Herhaling samengestelde zinnen.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'nevenschikkend en onderschikkend voegwoord.''
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 1 - Tekstslide

timer
10:00
Wanneer - Over de tijd waarin het verhaal speelt
Hoe lang duurt het verhaal?
Wordt het verhaal verteld in de volgorde waarin de gebeurtenissen plaatsvinden?
Waar zie je aan in welke tijd het verhaal speelt?
Gaat een stuk van het verhaal over de tijdsbeleving?
Gebeurt het verhaal lang geleden of nu?
Als het verhaal in een andere tijd speelt, zou je dan meer over die tijd willen weten?
Zijn er stukjes in het verhaal die lang duren, maar kort verteld worden?
Zijn er stukjes die kort duren, maar lang beschreven worden?
Als het verhaal lang geleden gebeurde, kan het dan nu nog gebeuren?
                                                                                        

                                                                                                Aidan Chambers

Slide 2 - Tekstslide

Planning derde periode:

Fictie (boek lezen)
Eigen keuze boek
Vragen van Aidan Chambers

Cursus 5 Grammatica (ws)
§2, 4, 6, 8, 10, 12 en 14 

Cursus 1 Meer dan lezen
§1 -7
Toetsen derde periode:

Fictie (boek lezen)
Podcast Inleverdatum 26 mei
Vragen van Aidan Chambers

Cursus 5 Grammatica (ws)
10 mei (2x)

Cursus 1 Meer dan lezen
Toetsweek 16 juni (3x)


Slide 3 - Tekstslide

olw  = onbepaald lidwoord                   een                    
blw  = bepaald lidwoord                       de/het
znw =  zelfstandig naamwoord: mensen, dieren, dingen, aardrijkskundige namen, eigen namen       
bn = bijvoeglijk naamwoord (geeft eigenschap of een toestand van een zn aan)               
st.bn = stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: gouden
bw = bijwoord: Waar? -hier, daar. Wanneer? -dan, toen, morgen. Hoe? Waarom? Zegt iets over: bn, ww, een ander bw.
vz = voorzetsel: in, op, tijdens, gedurende (het feestje)
zww = zelfstandig werkwoord             100% ww : doet iets
hww = hulpwerkwoord                       <100% ww : hebben, kunnen, mogen, moeten, willen, worden, zijn, zullen.
pers. vnw = persoonlijk voornaamwoord : zij, hij, ze, jullie, het (regent)
bez.vnw = bezittelijk voornaamwoord : mijn, jouw, jullie, ons
vr. vnw = vragend voornaamwoord: wie, wat welke, wat voor (een) (4)
aanw. vnw =  voornaamwoord: dit, dat, die deze/zulke, zo'n, dergelijke/dezelfde, hetzelfde, diezelfde, datzelfde, datgene
kww = koppelwerkwoord         100% ww : is iets
(9)zijn-worden-blijven-blijken-lijken-schijnen(heten-dunken-voorkomen)
onbep.hoofdtelw = onbepaald hoofdtelwoord : veel, sommige, alle
onbep.rangtelw = onbepaald rangtelwoord : middelste, laatste, zoveelste
bep.hoofdtelw = bepaald hoofdtelwoord : vier
bep.rangtelw = bepaald rangtelwoord : tweede
vw = voegwoord os.vgw = onderschikkend voegwoord: omdat, doordat, want enz.            
                                ns.vgw = nevenschikkend voegwoord: dus, en, maar, of en want (5) 
betr. vnw = betrekkelijk voornaamwoord : de jongen, die ... / het alarm, dat ...
onbep. vnw = onbepaald voornaamwoord : alles, elke, iedereen, (n)iemand, iets, niets, sommige(n), vele(n)
tussenw. = tussenwerpsel : jakkes, ah, oh, tsjongejonge       wed.vnw = wederkerende voornaamwoorden: me, ons, zich
wedig.vnw =wederkerige voornaamwoorden: elkaar, elkander, mekaar

Slide 4 - Tekstslide

Ik kan nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden (her)kennen:
Je hebt afgerond:

§2 herhaling jaar 1 (online)
§4 Aanwijzend en vragend voornaamwoord
§6 Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord
§8 (On)bepaalde hoofd- en rangtelwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Enkelvoudige zin

  • Zin met één persoonsvorm
Samengestelde zin

  • Zin met twee of meer persoonsvormen



Je moet dus goed de zin in een andere tijd zetten.

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld enkelvoudige zin
  • Het wordt slecht weer vandaag.
  • Ik ga vandaag naar de winkel.
  • Hij kijkt veel naar Star Wars.

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld samengestelde zin
  • Het wordt vandaag mooi weer en we gaan lekker naar het strand. 
  • Hij kijkt veel naar Star Wars en schrijft daar over op zijn website.

Slide 8 - Tekstslide

Benoem de zinnen (hoofdzin/bijzin)
1. Nederland heeft veel onderzoekers voortgebracht, maar dit was de grootste.

2. Rioolbuizen liggen vrij diep in de grond, want ze moeten een beetje aflopen.

3. Mensen lachen vooral omdat ze aardig willen doen tegen anderen.

4. Wetenschappers denken dat helium en waterstof uit de atmosfeer zijn verdwenen, doordat deze gassen erg licht zijn.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Samengestelde zin
  • Bestaat uit twee of meer zinnen.
  • Kunnen nevenschikkende (ns) zinnen zijn, of onderschikkende (os) zinnen.

Slide 11 - Tekstslide

Nevenschikking
verbindt:
*twee woorden: appels en peren
*twee woordgroepen:
leuke kinderen of vervelende kinderen
*Hoofdzin en hoofdzinnen




- Je zou in principe tussen alle zinnen een punt kunnen zetten.

Onderschikking verbindt:

- Hoofdzin + bijzin
- Bijzin + hoofdzin

- De zinnen zijn afhankelijk van elkaar.
Een bijzin kan nooit zonder een hoofdzin!

Slide 12 - Tekstslide

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag.
Kleine terugblik.
Herhaling samengestelde zinnen.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'nevenschikkend en onderschikkend voegwoord.''
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 13 - Tekstslide

§10 Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen aan elkaar plakken.

Slide 14 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Bekijk de volgende zin:
– Ik eet niet graag een Zeeuwse bolus of een koffiebroodje, want daarvan gaan je vingers plakken.

In deze zin zijn de woorden of en want voegwoorden. 




Een voegwoord verbindt:

Slide 15 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
twee woorden: aardrijkskunde of geschiedenis
twee woordgroepen: een nieuwe tentoonstelling en een lezing van Freek Vonk
twee zinnen:
– {Jongeren kijken vrijwel geen televisie}, maar {ze kijken wel filmpjes op TikTok}.
– {(Voordat Sarah naar Spanje emigreerde), heeft ze Spaans geleerd}.

Slide 16 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Er zijn twee soorten voegwoorden:

Een nevenschikkend voegwoord (ns.vgw) verbindt meestal twee woorden, twee woordgroepen of twee hoofdzinnen:
– {hoofdzin Een tompouce is lekker}, maar {hoofdzin dit gebakje is lastig om te eten}.

Er zijn vijf nevenschikkende voegwoorden
dus, en, maar, of en want.

Slide 17 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Een onderschikkend voegwoord (os.vgw) verbindt meestal een bijzin met een hoofdzin.
– {hoofdzin Het treinverkeer naar Groningen is vrijdag ontregeld, (bijzin nadat onder het spoor bij Taarlo een bevergang werd ontdekt)}.

Onderschikkende voegwoorden zijn onder meer: aangezien, als, dan, dat, doordat, hoewel, mits, nadat, of, omdat, opdat, tenzij, terwijl, toen, voordat, zodat en zodra.

Slide 18 - Tekstslide

Voegwoorden
1. Joris loopt altijd naar school, terwijl hij een elektrische fiets in de schuur heeft staan.

2. Omdat Joris slechts 5 minuten hoeft te lopen, heeft hij zijn fiets niet nodig.

3. Joris vindt lopen leuk en Joris houdt niet van fietsen.

Groen = hoofdzin
Rood = bijzin

Terwijl, omdat en en zijn niet benoemd -> dit zijn voegwoorden.

Slide 19 - Tekstslide

Nevenschikkende voegwoorden (ns.vw)
-> 2 hoofdzinnen


  • en
  • maar
  • want 
  • of
  • dus
Onderschikkende voegwoorden (os.vw)
-> hoofdzin/bijzin

  • aangezien
  • als
  • dat
  • doordat
  • terwijl
  • toen
  • omdat
  • of

Slide 20 - Tekstslide

OF
Nevenschikkend: 
Ik ga naar de film   of    ik ga naar de bioscoop.

onderschikkend:
Ik weet niet   of   ik naar de film ga.

Slide 21 - Tekstslide

timer
10:00
Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag.
Kleine terugblik.
Herhaling samengestelde zinnen.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'nevenschikkend en onderschikkend voegwoord.''
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 22 - Tekstslide

Ik (her)ken nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden:
Je hebt afgerond:

§2 herhaling jaar 1 (online)
§4 Aanwijzend en vragend voornaamwoord
§6 Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord
§8 (On)bepaalde hoofd- en rangtelwoorden

Slide 23 - Tekstslide

De temperaturen in Rusland zijn in de winter extreem laag, maar in de zomer zijn ze extreem hoog.

Slide 24 - Open vraag

Men moet de huid niet verkopen, voordat de beer geschoten is.

Slide 25 - Open vraag

Daryl gaat op tijd naar bed, want hij moet morgen op.

Slide 26 - Open vraag

Als ik mijn diploma heb behaald, ga ik de opleiding criminologie doen.

Slide 27 - Open vraag

Toen we in Limburg op vakantie waren, hebben we de mergelgrotten bezocht.

Slide 28 - Open vraag

Tien minuten stil lezen. Leg alleen je boek op tafel.
Planning van vandaag.
Kleine terugblik.
Herhaling samengestelde zinnen.
Uitleg Grammatica woordsoorten 'nevenschikkend en onderschikkend voegwoord.''
Klassikaal leerdoel check.

Aan het werk.
 

Wat gaan we doen vandaag?

Slide 29 - Tekstslide

Aan de slag (A2)
§10 voegwoord (blz. 224)

Opdracht 1, 2, 3 + 5  


Slide 30 - Tekstslide

Ik (her)ken nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden.

De volgende les doen we:
cursus 5 woordsoorten
§12 Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord in een samengestelde zin.
Je hebt afgerond:

§2 herhaling jaar 1 (online)
§4 Aanwijzend en vragend voornaamwoord
§6 Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord
§8 (On)bepaalde hoofd- en rangtelwoorden

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Tekstslide

Slide 52 - Tekstslide