kun je het meewerkend voorwerp in een gegeven zin vinden.
kun je een zin ontleden volgens een stappenplan.
kun je een zin in zinsdelen verdelen en de zinsdelen onderwerp + persoonsvorm + werkwoordelijk gezegde + lijdend voorwerp + meewerkend voorwerp benoemen.
Slide 3 - Tekstslide
Jan gaf de toets aan de leraar.
Welk zinsdeel is 'Jan'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
werkwoordelijk gezegde
Slide 4 - Quizvraag
Jan gaf de toets aan de leraar.
Welk zinsdeel is 'de toets'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
werkwoordelijk gezegde
Slide 5 - Quizvraag
Ontleed de volgende zin (PV, OW, WWG, LV, zinsdeelstrepen).
Zinsdelen: verplaatsingsproef (welk woord of welke woordgroep kan voor de pv.
Werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden uit de zin.
Onderwerp = wie/wat + gezegde?
Lijdend voorwerp = wat/wie + pv + ow + gezegde?
Slide 7 - Tekstslide
Meewerkend voorwerp
In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook een meewerkend voorwerp staan. Zinnen zonder een lv hebben nooit een mv.
Het meewerkend voorwerp geeft aan voor / aan wie iets bestemd is. Aan (voor) wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp
Check daarnaof je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen (soms moet je hiervoor de woordvolgorde aanpassen).
Slide 8 - Tekstslide
Zo vind je het meewerkend voorwerp
1. Zoek eerst de persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
Is het zinsdeel tussen haken een meewerkend voorwerp?
Hij laat al zijn geld na [aan goede doelen].
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp
Slide 11 - Quizvraag
Wat is het meewerkend voorwerp?
Sophie doet jou de groeten
A
Er is geen meewerkend voorwerp
B
jou
C
Sophie
D
de groeten
Slide 12 - Quizvraag
Wie heeft mijn scooter gerepareerd?
mijn scooter =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde
Slide 13 - Quizvraag
Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:
Mag ik u een kopje koffie aanbieden?
Slide 14 - Open vraag
Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:
Het verlegen jongetje gaf ik een schouderklopje.
Slide 15 - Open vraag
Het meewerkend voorwerp is: De ober heeft eindelijk een glas cola voor Charlotte ingeschonken.
Slide 16 - Open vraag
Wat is het meewerkend voorwerp?
Hij geeft zijn zus een knuffel.
Slide 17 - Open vraag
Wat is het meewerkend voorwerp in de zin: De politieagent gaf de foutparkeerder een flinke boete.
Slide 18 - Open vraag
Stappenplan
Zoek de persoonsvorm= belangrijkste werkwoord (vraagproef, getalsproef, tijdsproef)
Verdeel de zin in zinsdelen: verplaatsingsproef (welk woord of welke woordgroep kan voor de pv.
Benoem het werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden uit de zin.
Benoem het onderwerp = wie/wat + gezegde?
Onderzoek of er een lijdend voorwerp is = wat/wie + pv + ow + gezegde?
Onderzoek of er een meewerkend voorwerp is = aan/voor wie/wat + pv + ow + lv + gezegde =
Slide 19 - Tekstslide
Welk woord in de zin is de persoonsvorm? Ik fiets op mijn fiets naar school
A
fiets(1e woordje)
B
fiets (2e woordje)
C
Ik
D
school
Slide 20 - Quizvraag
Wat is een persoonsvorm altijd?
A
Lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord
Slide 21 - Quizvraag
Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven. mijn oma =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 22 - Quizvraag
Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven? Wie =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling
Slide 23 - Quizvraag
Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven? Mijn konijn =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde
Slide 24 - Quizvraag
Ontleed de volgende zin volgens het stappenplan: Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied. (kopieer de zin, ze een / tussen de zinsdeelstrepen en benoem daaronder de pv, het wg, het ow, het lv en het mv)
Slide 25 - Open vraag
Schrijf 2 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Slide 26 - Open vraag
Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.
Slide 27 - Open vraag
Aan de slag!
Maken hoofdstuk 9.1 opdracht 6 t/m 8 op pagia 75-77
Slide 28 - Tekstslide
Extra oefenen?
Ga naar de link op de volgende slide en maak de opdrachten.
Geef aan je docent door hoeveel procent je goed hebt :)