Thema 6 B2 Het oog

Thema 6 Waarneming en gedrag (SE)

Thema 6
B1 (herhaling)
Zintuigen
B2 het oog 
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Thema 6 Waarneming en gedrag (SE)

Thema 6
B1 (herhaling)
Zintuigen
B2 het oog 

Slide 1 - Tekstslide

Lesprogramma les 2
  • Herhalen B1 (5 minuten)
  • Leerdoelen Basisstof 2 (2 minuten)
  • Uitleg B2 deel 1 herhaling (5 minuten)
  • Uitleg B2 deel 2 lezen (10 minuten)
  • Opdracht 24 t/m 27 maken (max. 10 minuten)
  • Oefen de Flitskaarten en maak Test Jezelf
  • Lesafsluiter B2 (5 minuten)

Slide 2 - Tekstslide

Definitie
Begrip
Zintuigcellen die reageren op een bepaalde prikkel zoals licht, temperatuur, druk, pijn.
De prikkel waarvoor de zintuigcel de laagste prikkeldrempel heeft 
De aanpassing van de gevoeligheid van een zintuig aan een aanhoudende prikkelsterkte
Prikkels vanuit het inwendige milieu 
Prikkels vanuit de omgeving 
De waarde die bepaald of een prikkel sterk genoeg is om een impuls te genereren in een zintuigcel.
Begrippen
Prikkeldrempel
Adaptatie
Adequate prikkel
Receptoren
Interne prikkel
Externe prikkel

Slide 3 - Sleepvraag

Laag met zintuigcellen (staafjes en kegeltjes)
Waar de oogzenuw het oog verlaat
Verandert de lens van vorm zodat je scherp kunt zien
Zorgt ervoor dat er een scherp beeld op je netvlies valt
Doorzichtig deel van het oog
Geeft structuur en vorm aan het oog
Gat wat licht doorlaat
Brengt impulsen naar de hersenen
Stevige buitenste laag van het oog
Bevat spiertjes die de grootte van de pupil regelen
Hoornvlies
Lens
Pupil
iris
straalvormig lichaam met lensbandjes
oogzenuw
netvlies
harde oogvlies
blinde vlek
glasachtig lichaam

Slide 4 - Sleepvraag

Leerdoelen B2
6.2.1 Je kunt de beeldvorming door ooglenzen beschrijven.

6.2.2 Je kunt de werking van de pupilreflex beschrijven. (herhaling)

6.2.3 Je kunt de bouw en werking van het netvlies beschrijven.

6.2.4 Je kunt toelichten hoe je diepte kunt zien.



Slide 5 - Tekstslide

Hoe valt licht in het oog?

  • Het licht wordt gebroken door de lens
  • Hierdoor wordt het beeld gedraaid

Slide 6 - Tekstslide

Accomoderen

Ver weg, lens plat                                  Dichtbij, lens bol
dichtbij, lens bol
ver weg, lens plat

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Scherp zien

Het boller en platter worden van de lens noemen we accomoderen en dit kunnen wij met behulp van de accomodatiespieren.


Dit zijn de kringspieren in het straalvormig lichaam.

Slide 9 - Tekstslide

Lichtbreking door lenzen

In de afbeelding zie je lichtbreking door verschillende lenzen.


F is het brandpunt, hier komen de lichtstralen samen bij een bolle lens.


f is de afstand van de lens tot het brandpunt.

convergeren, naar elkaar toe
divergeren, spreiden

Slide 10 - Tekstslide

Lichtbreking door lenzen

In de afbeelding zie je lichtbreking door verschillende lenzen.


  • Bij een bolle lens breken de lichtstralen naar elkaar toe = convergerend

  • Bij een holle lens breken de lichtstralen van elkaar af = divergerend

convergeren, naar elkaar toe
divergeren, spreiden

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Pupilreflex

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Bij veel licht is de pupil......?
A
Groot
B
Klein
C
Licht heeft geen invloed op pupil

Slide 17 - Quizvraag

Slide 18 - Tekstslide

licht valt...
  • eerst op zenuwcellen
  • dan op zintuigcellen (lichtreceptoren)
  • daarna wordt overig licht geabsorbeerd door pigmentlaag

Vaatvlies zorgt voor voedingstoffen en zuurstof en afvoer afvalstoffen.

Slide 19 - Tekstslide

Het oog - netvlies
Je netvlies is bedekt met zintuigcellen:
kegeltjes en staafjes.
  • gele vlek: kegeltjes
  • blinde vlek: geen zintuigcellen

Slide 20 - Tekstslide

Bouw en werking netvlies (Binas 87C)

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Diepte zien

Diepte kun je zien doordat je met beide ogen vanuit een iets andere hoek 

naar een voorwerp kijkt. Daardoor is de projectie op je netvlies iets anders, 

wat in de hersenen verwerkt wordt tot één beeld, met verwerkte informatie 

over diepte en afstand.


  • Gaat het makkelijkst als de ogen aan de voorzijde zitten.
  • Nodig voor het inschatten van de afstand van jou tot het voorwerp
  • De beelden van het linkergedeelte van beide ogen gaan naar het rechtergezichtscentrum. Het linkerbeeld van het linkeroog verschilt iets van het linkerbeeld van het rechteroog.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Huiswerk
- Maak opdracht 24 t/m 27

- Oefen de flitskaarten en sluit je leerdoelen af  met Test Jezelf 



Slide 28 - Tekstslide

Afsluiter B2
6.2.1 Je kunt de beeldvorming door ooglenzen beschrijven.

6.2.2 Je kunt de werking van de pupilreflex beschrijven.
6.2.3 Je kunt de bouw en werking van het netvlies beschrijven.
6.2.4 Je kunt toelichten hoe je diepte kunt zien.


Slide 29 - Tekstslide

Het OOG: zet onderdelen op de juiste plaats
netvlies
gele vlek
oogzenuw
lens

Slide 30 - Sleepvraag

Langs welke onderdelen schijnt het licht als het in het oog valt?  Zet ze in  de goede volgorde.
glasachtig lichaam 
lens  
hoornvlies
netvlies 

Slide 31 - Sleepvraag

Een lichtstraal valt op het oog.

Zet de onderstaande onderdelen van het oog, waar deze lichtstraal achtereenvolgens doorheen gaat, in de juiste volgorde.

Lens
Hoornvlies
Glasachtig lichaam
Netvlies
Oogkamer

Slide 32 - Sleepvraag

Het vaatvlies zorgt voor :
A
traanvocht
B
voeding en zuurstof
C
aansturing
D
stevigheid

Slide 33 - Quizvraag

De lens in je oog zorgt voor
A
een kleurig beeld
B
een scherp beeld
C
het beschermen tegen stofjes
D
het afsluiten van je oog

Slide 34 - Quizvraag

Hoe heet de buitenste doorzichtige laag van het oog?
A
Glasachtig lichaam
B
Netvlies
C
Hoornvlies
D
Pupil

Slide 35 - Quizvraag

Over welk soort zenuw gaat
een impuls van oog naar hersenen?
A
gevoelszenuw
B
bewegingszenuw

Slide 36 - Quizvraag

In welke laag liggen de zintuigcellen van een oog?
A
vaatvlies
B
netvlies
C
harde oogvlies

Slide 37 - Quizvraag

Gele vlek
A
Het deel van het oog waar de oogzenuw het oog verlaat en waarmee men niets kan zien.
B
Gedeelte van het netvlies, waarop voornamelijk kegeltjes zijn geconcentreerd.
C
Het doorzichtige deel van het oog dat tussen de lens en het netvlies ligt.
D
Het grootste deel van de menselijke hersenen, dat bestaat uit de linker- en rechter hersenhelft.

Slide 38 - Quizvraag

Je loopt van buiten naar binnen, je pupillen vergroten, hoe verloopt deze reflex?
A
impulsen gaan van je oog, naar het CZS (grote hersenen) en vervolgens naar de spiertjes rond je pupil
B
de impulsen gaan van je oog, naar het CZS (je hersenstam) en dan naar de spiertjes in rond je pupil
C
de impulsen gaan van je gevoelszenuwcellen in je oog, direct naar de bewegingszenuwcellen rond je pupil

Slide 39 - Quizvraag

Benoem de verschillende onderdelen van het netvlies.
uitloper zenuwcel
staafje
kegeltje
zenuwcel
blinde vlek
oogzenuw
gele vlek

Slide 40 - Sleepvraag

Staafjes
Kegeltjes
waarnemen van kleuren
waarnemen licht-donker
vooral in gele vlek
vooral aan randen netvlies
lage drempelwaarde
hoge drempelwaarde
geschikt voor scherp zien
niet zo geschikt voor scherp zien

Slide 41 - Sleepvraag

En nog 2 filmpjes over ooglaseren
Ook hier geldt, bekijk eerst het animatiefilmpje voordat je besluit om een filmpje van een echte ooglasering te bekijken...

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Video

Slide 44 - Video

0

Slide 45 - Video

Nog één interessante dan...

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Video