Grammar U3

Present simple
Pak je schrift en een pen.
Laat de rest in je tas.
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 150 min

Onderdelen in deze les

Present simple
Pak je schrift en een pen.
Laat de rest in je tas.

Slide 1 - Tekstslide

Regels bij Engels
  1. Als je wat wil zeggen steek je je vinger op.
  2. Je neemt elke les je boek, schrift en pen mee. 
  3. Je maakt je huiswerk.

Slide 2 - Tekstslide

Schedule
Uitleg
samen oefenen
zelf oefenen

Slide 3 - Tekstslide

Present simple
  • Affirmative
  • Negative
  • Question

Slide 4 - Tekstslide

Present simple - affirmative
Affirmative sentence = Als je zegt dat iets wel zo is

Ondewerp + werkwoord + rest van de zin

I go to school every day.
My dad works in a factory.

Slide 5 - Tekstslide

Write down
  1. at home / I / work
  2. is / my sister / ugly
  3. I / a dog / have

Slide 6 - Tekstslide

Shit rule
Bij he, she en it voegen we een S achter het werkwoord

I walk
She walks
We walk
He walks

Slide 7 - Tekstslide

Shit rule
watch --> watches
wash --> washes
fix --> fixes
do --> does
study --> studies

word ending in -ch:     + es
word ending in -sh:     + es
word ending in -x:        + es
word ending in o-:        + es
word ending in -y:     -y,  + ies

Slide 8 - Tekstslide

Fill in
1. She _______ noodles every Monday. (eat)
2. Wichai _______  computer every day. (play)
3. They _______  English well. (speak)
4. He _______  television every morning. (watch)
5. I _______  up late. (get)
6. My sister usually _______  nothing all day. (do)
7. The boys _______  in the pool. (swim)
8. My father _______  a new car. (drive)

  1.  eats
  2. plays
  3. speak
  4. watches
  5. get
  6. does
  7. swim
  8. drives

Slide 9 - Tekstslide

Present simple
  • Affirmative
  • Negative
  • Question

Slide 10 - Tekstslide

Present continuous - negative
Negative sentence = als je zegt dat iets niet zo is

Onderwerp + do not/does not + werkwoord  + rest van de zin

I don't have a dog.
She doesn't like you.

Slide 11 - Tekstslide

Make a correct sentence
  0. (I / not / like coffee)              ---->              I do not like coffee
  1. (I / not / live in Paris)
  2. (she / not / come from Spain)
  3. (John / not / work in a bank)
  4. (they / not / get up at eight o'clock)
  5. (we / not / go to the cinema every Friday)
  6. (you / not / read the newspaper every day)

Slide 12 - Tekstslide

Blooket

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Present simple
Pak je schrift en een pen.
Laat de rest in je tas.

Slide 15 - Tekstslide

Schedule
Uitleg
samen oefenen
zelf oefenen

Slide 16 - Tekstslide

Present simple
  • Affirmative
  • Negative
  • Question

Slide 17 - Tekstslide

Present simple questions
Question sentence = als je iets wil vragen

Do / does + onderwerp + werkwoord + rest van de zin

Do you like bowling?
Does she play football?

Slide 18 - Tekstslide

Uitzondering!!!
Als het werkwoord "to be" is vergeet je alle regels voor vraagzinnen en draai je alleen het onderwerp en het werkwoord om.

Slide 19 - Tekstslide

Practise
  1. ________ (you / like) ice cream?
  2. ________ (she / play) the piano?
  3. ________ (they / go) to school by bike?
  4. ________ (he / watch) TV in the evening?
  5. ________ (we / need) to bring our books?
  6. ________ (your brother / play) football?
  7. ________ (the lessons / start) at 8:30?
  8. ________ (she / live) in a big house?
  9. ________ (your parents / work) in a hospital
  10. ________ (it / rain) a lot in autumn?

Slide 20 - Tekstslide

Zelfstandig werken
Opdracht 5-6 op blz. 40
Hoe? In stilte!
Klaar? Woordjes leren.

Slide 21 - Tekstslide