6.1 Het Zintuigenstelsel

6.1 Zintuigen
- Voorkennisvragen
- Uitleg 6.1 deel 1
- Opdrachten maken
Leerdoelen

6.1.1 Je kunt de werking van zintuigen in relatie met het zenuwstelsel beschrijven.
6.1.2 Je kunt de reactie van een zintuig op een adequate prikkel beschrijven.
6.1.3 Je kunt de delen van het oog en hun functie beschrijven.
Voorkennisvragen
1. Hoe ontstaat een impuls in een zenuwcel?
2. Welk type zenuwcel geeft informatie van zintuigcellen door aan het centrale zenuwstelsel?
3. Hoe kan ik meten of een zenuwcel sterk geprikkeld wordt of zwak?
A. Door de sterkte van de impuls te meten in mV
B. Door het aantal impulsen per seconde in de zenuwcel te meten
C. Door zowel het aantal impulsen per seconde en de kracht van iedere impuls te meten
4. Hoe komt het dat je het tikken van een klok na een tijdje niet meer hoort?
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

6.1 Zintuigen
- Voorkennisvragen
- Uitleg 6.1 deel 1
- Opdrachten maken
Leerdoelen

6.1.1 Je kunt de werking van zintuigen in relatie met het zenuwstelsel beschrijven.
6.1.2 Je kunt de reactie van een zintuig op een adequate prikkel beschrijven.
6.1.3 Je kunt de delen van het oog en hun functie beschrijven.
Voorkennisvragen
1. Hoe ontstaat een impuls in een zenuwcel?
2. Welk type zenuwcel geeft informatie van zintuigcellen door aan het centrale zenuwstelsel?
3. Hoe kan ik meten of een zenuwcel sterk geprikkeld wordt of zwak?
A. Door de sterkte van de impuls te meten in mV
B. Door het aantal impulsen per seconde in de zenuwcel te meten
C. Door zowel het aantal impulsen per seconde en de kracht van iedere impuls te meten
4. Hoe komt het dat je het tikken van een klok na een tijdje niet meer hoort?

Slide 1 - Tekstslide

Zintuigen (specifiek)
Zintuigen bestaan uit zintuigcellen 
oftewel receptoren.
Receptoren vangen externe/interne 
prikkels op --> omgezet in impulsen.

CZS verwerkt impulsen --> reactie = 
aansturen spieren/klieren.

Slide 2 - Tekstslide

Chemische receptoren
Reageren na binding met moleculen uit omgeving

Smaak: opgeloste moleculen

Reuk: moleculen uit de lucht

Slide 3 - Tekstslide

Mechanische receptoren
Reageren op buigen/rekken van het celmembraan door verschillende vormen van mechanische energie (druk, tast, beweging, geluid).

Vb. gehoorzintuig, evenwichtszintuig, tastreceptoren, drukreceptoren.


Slide 4 - Tekstslide

Temperatuurreceptor
- in de huid.
- Reageren wanneer de temperatuur onder of boven de normwaarde van 37 graden komt.

Pijnreceptoren
- hele lichaam (uiteinden van bepaalde zenuwen)
- impuls door extreme druk/temperatuur of chemische stoffen (bij beschadiging/ontsteking van weefsel)

Slide 5 - Tekstslide

Lichtreceptoren (fotoreceptoren)
- impuls ontstaat door zichtbaar licht
- in netvlies

Slide 6 - Tekstslide

Prikkeldrempel
Prikkel moet: 
- de juiste zijn voor de receptor (adequate prikkel)
- sterk genoeg zijn: boven prikkeldrempel

Sterkere prikkel --> hogere impulsfrequentie


Wat houdt dit in?

Slide 7 - Tekstslide

Gewenning / adaptatie
Prikkel houdt aan --> prikkeldrempel verhoogt --> impulsfrequentie neemt af.
Ontstaat bij dagelijkse blootstelling aan een prikkel.

De zintuigcellen geven de prikkel nog wel door maar worden steeds minder gevoelig voor de prikkel, de impulsfrequentie neemt af.
Ook de hersenen reageren niet meer altijd op de impulsen
(bv. tikkende klok of kleding dragen)

Slide 8 - Tekstslide

6.1 Zintuigen
Maak opdr. 1 t/m 4 en 9 t/m 11
Goed begrepen? Opdr. 1 overslaan (alleen als je voldoende staat)


Klaar?
- Lees blz. 88 en maak opdr. 5 t/m 8
Leerdoelen

6.1.1 Je kunt de werking van zintuigen in relatie met het zenuwstelsel beschrijven.
6.1.2 Je kunt de reactie van een zintuig op een adequate prikkel beschrijven.
6.1.3 Je kunt de delen van het oog en hun functie beschrijven.

Slide 9 - Tekstslide

Geluid
Licht
Geurstoffen
Smaakstoffen
Aanraking
Oor
Huid
Tong
Neus
Oog
Sleep de adequate prikkel naar het juiste orgaan.

Slide 10 - Sleepvraag

Een sterkere prikkel leidt tot
A
verhoging impulssterkte
B
verhoging impulsfrequentie
C
antwoord A en B beide

Slide 11 - Quizvraag

We kunnen harde en zachte geluiden van dezelfde toonhoogte van elkaar onderscheiden. Dit zou kunnen komen doordat
A
de geleidingssnelheid voor harde en zachte geluiden verschillend is
B
de impulsen van beide oren niet gelijktijdig de hersenen bereiken
C
de sterkte van de impulsen in de gehoorzenuwen kan variëren
D
de impulsfrequentie in de gehoorzenuwen kan variëren

Slide 12 - Quizvraag

Je springt in een zwembad met koud water. Na een tijdje voel je niet meer dat het koud is, hoe komt dit?
A
Dit komt door adaptatie, de impulsfrequentie neemt af
B
De prikkeldrempel wordt lager
C
De prikkeldrempel wordt hoger
D
A en C zijn beide juist

Slide 13 - Quizvraag

Maakt een zintuigcel neurotransmitters aan?
A
ja
B
nee

Slide 14 - Quizvraag

Wie heeft de hoogste drempelwaarde voor geluid?
A
Mens
B
Hond

Slide 15 - Quizvraag

Wie heeft de hoogste drempelwaarde voor licht?
A
Mens
B
Mol

Slide 16 - Quizvraag

Welk diagram
hoort bij het
ontstaan van een
impuls? (y-as is
impulssterkte)
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 17 - Quizvraag

Lichtreceptoren kunnen ook impulsen versturen bij druk. Druk maar eens op je oog. Is de prikkeldrempel voor niet-adequate prikkels hoger of lager?
A
Hoger
B
Lager

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Video

Slide 20 - Video