Maatwerk V2 1.2.2021, Modalv, sterke ww tt, Pers. vnw

Willkommen!
Frau Rörig
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Willkommen!
Frau Rörig

Slide 1 - Tekstslide

Programm Dienstag, 1.2.2021
Fragen?  Wünsche?
Wiederholen  modale hulpwerkwoorden
                             sterke ww met e en a in stam
                             persoonlijke voornaamworden




Slide 2 - Tekstslide

classroom        hzoe7tu


Komende weken:  meet in classroom gebruiken!
 
  

Slide 3 - Tekstslide

Modalverben

Slide 4 - Tekstslide

Nenne ein deutsches
Modalverb:

Slide 5 - Woordweb

MODALE HULPWERKWOORDEN
dürfen
können
mögen
      möchten
müssen
sollen
wollen

wissen



mogen, toestemming hebben
kunnen, in staat zijn tot
houden van, lusten
         graag (zouden) willen
moeten (noodzaak)
moeten (opdracht, bevel)
willen

weten


Slide 6 - Tekstslide

Modalverben auf Deutsch:

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Ich ........... um 22 Uhr zu Hause sein.
Nein, Ich .................. noch nicht in die Disko gehen.
Ich ................ sehr gut schwimmen
Ich ............. Eis
darf
muss
kann
mag

Slide 9 - Sleepvraag

(wollen)
Du _____ keine Hausaufgaben machen.

A
woll
B
will
C
willst
D
wollst

Slide 10 - Quizvraag

(wissen)
Er ___ nicht, ob er heute noch kommt.
A
wiss
B
wisst
C
weißt
D
weiß

Slide 11 - Quizvraag

Möchten...."de vreemde eend in de bijt". 

Slide 12 - Tekstslide

Möchten = zou graag willen

Möchten is een vriendelijkere -/beleefdere vorm van willen. Deze vorm wordt in het Duits veel gebruikt als je iets wilt hebben. 

Beispiel: Ich möchte gerne ein Eis haben. 

Slide 13 - Tekstslide

Möchten = zou graag willen

ich möchte
du möchtest
er/sie/es möchte
wir möchten
ihr möchtet
sie/Sie möchten

Slide 14 - Tekstslide

Noch Fragen?
Atheneum leerlingen  -> classroom oefeningen

Slide 15 - Tekstslide

sterke werkwoorden
e in stam
a in stam

Slide 16 - Tekstslide

Wat gebeurt bij sterke werkwoorden met e in de stam (in de tegenwoordige tijd)?

Slide 17 - Open vraag

Regel
Sterke werkwoorden met een "e" in de stam krijgen
bij: du  en  er, sie, es 


Als de "e" lang klinkt e -----> ie   bijv. sehen, du siehst
Als de "e" kort klinkt e -----> i     bijv. helfen, du hilfst

Slide 18 - Tekstslide

lesen
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
lese
liest
liest
lesen
lest
lesen

Slide 19 - Sleepvraag

Wat gebeurt bij sterke werkwoorden met a in de stam (in de tegenwoordige tijd)?

Slide 20 - Open vraag

Regel
Sterke werkwoorden met een "a" in de stam krijgen
bij: du, er, es , sie

Als de "e" lang kinkt a -----> ä   
bijv. tragen: du trägst, er,sie,es trägt

Geldt ook voor          laufen: du läufst, er,sie,es läuft
                                           stoßen: du stößt, er,sie,es stößt

Slide 21 - Tekstslide

fahren
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
fahre
fährst
fahrt
fahren
fährt
fahren

Slide 22 - Sleepvraag

fallen - du ______
A
fällst
B
fallst
C
fällt
D
fallt

Slide 23 - Quizvraag

gehen - du ______
A
gehst
B
gist
C
giehst
D
geht

Slide 24 - Quizvraag

Noch Fragen?
Übungen im classroom

Slide 25 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamwoorden
ich, du, er/sie/es, wir, ihr, sie/Sie

Slide 26 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamwoorden
als vervanger:

Der Ball ist rund.                           -> Er ist rund.
Die Frau ist nett.                           ->  Sie ist nett.
Das Spiel dauert lang.                -> Es dauert lang.
Die Schuhe stinken.                    -> Sie stinken.

Slide 27 - Tekstslide

Welche Wörter passen zusammen?
unsere Klasse
das Buch
jedes Kind
die Lehrerin

der Lehrer
er
sie
es
sie  (mv)
mein Vater
die Schüler
diese Schule (v)
alle Leute

Slide 28 - Sleepvraag

Noch Fragen?
Übungen im classroom

Slide 29 - Tekstslide