3GT - H4.7 Grammatica - Werkwoordelijk en naamwoordelijk gez.

Wat vond je deze vakantie het leukst?
1 / 11
volgende
Slide 1: Open vraag
Middelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat vond je deze vakantie het leukst?

Slide 1 - Open vraag

Lesplanning 
  • Welkom (5 min.),
  • Startopdracht (3 min.),
  • Instructie (10 min.),
  • Opdrachten  (10 min.),
  • Afsluiter (5 min.).
Leerdoel: Aan het einde van de les weet je het verschil tussen het naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde.

Slide 2 - Tekstslide

Benoem het werkwoordelijk gezegde:
A. Je moet de groenten van Hak hebben.
B. Ik durf het bijna niet te vragen, maar...
C. Zou hij even Apeldoorn hebben gebeld?

Slide 3 - Open vraag

Instructie
Werkwoordelijk gez.
Naamwoordelijk gez.
Bevat een zelfstandig werkwoord:
  • Er staat maar 1 zelfst. ww in de zin.
  • Dit heeft een duidelijke betekenis en kan NIET worden weg gelaten in de zin. 
  • Overige ww = hulpww.
Bevat een koppelwerkwoord:
  • Er staat maar 1 kww in de zin
  • Geen duidelijke betekenis, heeft aanvulling nodig van bijv. nw of zelfst. nw.
  • Zegt iets over het onderwerp.

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeeld
ZIN: Zouden jullie willen duiken?
1. Welke werkwoorden staan in de zin?
    Zouden, willen en duiken. 
2. Welke heeft betekenis en kan NIET weggelaten worden?
     Jullie willen duiken? 
     (Zouden kan je weglaten, je weet nog steeds wat ze gaan doen: duiken)
     Zouden jullie duiken? 
    (Willen kan je weglaten, je weet nog steeds wat ze gaan doen: duiken.)
    Zouden jullie willen ......
    (Duiken kan je NIET weglaten, je weet niet wat jullie gaan doen, dit kan nu van alles zijn....)

 

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld
ZIN: Zouden jullie willen duiken?
1. Staat er een werkwoord in met een duidelijke betekenis?
    Duiken = zelfstandig werkwoord.
2. Hebben we het over een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde?
     Werkwoordelijk gezegde, want er staat een zelfstandig werkwoord in, deze heeft een       
     duidelijke betekenis en kan NIET weggelaten worden. 


 

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld
ZIN: Ik word een professionele duiker?
1. Welke werkwoorden staan in de zin?
    word
2. Heeft dit werkwoord een betekenis?
     Nee, als je word weglaat, weet je nog steeds wat er gezegd wordt over het onderwerp. 
3. Kan je het werkwoord vervangen door zijn of blijven?
     Ik ben een professionele duiker - JA
     Ik blijf een professionele duiker - JA.
4. Wat voor een soort werkwoord is dit?
     Een koppelwerkwoord. 
 

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld
ZIN: Ik word een professionele duiker?
1. Wat is word voor een werkwoord? Wat voor gezegde is dit?
    word = koppelwerkwoord dus we hebben met een naamwoordelijk gezegde te maken.
2. Een koppelwerkwoord wordt aangevuld met een zelfst. nw of bijv. nw. Staat er een 
     zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord in deze zin?   
     Ja, een professionele duiker.
3. Wat is het naamwoordelijk gezegde van deze zin?
     word een professionele duiker


 


 

Slide 8 - Tekstslide

Benoem het naamwoordelijk gezegde (+bn of zn):
A. Ik ben een leuke blondine
B. Mijn haar is middellang
C. Zelfs mijn poten zijn behaard en gespierd

Slide 9 - Open vraag

Opdrachten
Maak voor de volgende les:

Opdacht 1 t/m 8

Slide 10 - Tekstslide

Bekijk het leerdoel van deze les.

Is dit behaald en hoe is jou dit gelukt?

Slide 11 - Open vraag