- Onderwerp, deelonderwerp, alinea, hoofd- en bijzaken
- Hoofdgedachte en onderwerp
- Feit & mening en subjectief & objectief
Slide 3 - Tekstslide
Opdracht (15 minuten)
Maak per persoon in je groep de drie toetsvragen af bij de eerste tekst.
In totaal hebben jullie dus vijftien vragen gemaakt, telkens drie per blok.
Geef ook aan op welke theorie je de vragen baseert.
Slide 4 - Tekstslide
Opdracht (10 minuten)
Maak per groep de antwoorden bij de vragen.
Geef ook aan hoeveel punten je voor de vragen kunt verdienen.
Je maakt dus een volwaardige toets voor de rest van de klas om mee te oefenen.
Slide 5 - Tekstslide
BL
12 juni
Slide 6 - Tekstslide
Programma
- Kaartjes bestellen cultural evenings
- High tea plannen + filmpje A&D
- Tijd om huiswerk te maken/te leren voor de toetsen/planning voor de toetsweek te maken
Slide 7 - Tekstslide
Kaartjes cultural evenings
- Ga naar je mail
- Zoek de mail van mevrouw Poot op
- Er zit een code in
- Ga naar de site en bestel je kaartje voor donderdagavond!
Slide 8 - Tekstslide
High tea plannen
- Vertel me alles over de film van drama!
- Het idee van de high tea
- Wat neem je mee?
- Welke middag na de toetsweek?
Slide 9 - Tekstslide
Werktijd!
- Huiswerk
- Leerwerk
- Planning voor de toetsweek
- Moet je nog iets met mij bespreken?
Slide 10 - Tekstslide
Nederlands
13 juni
Slide 11 - Tekstslide
Programma
Lesdoel: je hebt een boek uitgezocht voor de literatuuropdracht.
- Boek uitzoeken
- Leesuur
Slide 12 - Tekstslide
Opdracht (40 minuten)
Je zoekt een boek uit dat je al gelezen hebt. Je mag eerst googelen en checken of het boek in de mediatheek beschikbaar is.
Anders is dit het leesuur en maak je alvast aantekeningen over de onderdelen uit het boek.
Slide 13 - Tekstslide
Nederlands
13 juni
Slide 14 - Tekstslide
Programma
Lesdoel: je hebt kennis van de literaire begrippen en kunt een inleiding schrijven bij je boek.
- Literaire begrippen bespreken
- Werken aan laatste opdracht
Slide 15 - Tekstslide
Literaire begrippen
Motieven: abstracte en concrete motieven
Personages: round en flat character
Perspectief: ik, personaal, auctoriaal
Stijl: manier van schrijven
Thema: 'waar gaat het verhaal over?'
Titelverklaring: 'wat betekent de titel?'
Slide 16 - Tekstslide
Een telkens terugkerende rode auto is een:
A
abstract motief
B
concreet motief
Slide 17 - Quizvraag
Een telkens terugkerend gevoel is een:
A
abstract motief
B
concreet motief
Slide 18 - Quizvraag
Een personage dat een groei in persoonlijkheid doormaakt is een:
A
flat character
B
round character
Slide 19 - Quizvraag
Voldemort is een:
A
flat character
B
round character
Slide 20 - Quizvraag
'Ik liep naar het lokaal toe. Ik wist toen al dat ik een 8 voor de toets zou gaan halen, zo goed had ik geleerd.'
A
ik-perspectief
B
personaal perspectief
C
auctoriaal perspectief
Slide 21 - Quizvraag
'Piet liep naar zijn werk. In zijn zak zat de reservesleutel van zijn auto. Zijn andere sleutel was hij gister verloren.'
A
ik-perspectief
B
personaal perspectief
C
auctoriaal perspectief
Slide 22 - Quizvraag
Piet: 'Gister ben ik mijn huissleutel verloren.' Achmed: 'Heb je nog een reservesleutel?' Vervolgens liep hij met Piet mee naar huis, zodat hij kon helpen met het zoeken van de sleutel in de tuin.
A
ik-perspectief
B
personaal perspectief
C
auctoriaal perspectief
Slide 23 - Quizvraag
Opdracht (10 minuten)
Open op de classroom de opdracht boekverslag.
Open een document. Schrijf voor jezelf op: over welk boek ga je het boekverslag schrijven en geef ook alle algemene informatie (schrijver, uitgeverij, jaar van uitgave).
Slide 24 - Tekstslide
Opdracht (20 minuten)
Schrijf een titel en een inleiding.
Wat moet er in een inleiding?
- Algemene informatie
- Informatie over het verhaal
- Vertel wat je gaat doen
- Vertel welke begrippen je gaat gebruiken
Slide 25 - Tekstslide
Nederlands
14 juni
Slide 26 - Tekstslide
Programma
Lesdoel: je hebt kennis van de literaire begrippen en kunt een middenstuk schrijven bij je boek.
- Wat hebben we de vorige les gedaan?
- Literaire begrippen bespreken
- Werken aan laatste opdracht
Slide 27 - Tekstslide
Literaire begrippen
Motieven: abstracte en concrete motieven
Personages: round en flat character
Perspectief: ik, personaal, auctoriaal
Stijl: manier van schrijven
Thema: 'waar gaat het verhaal over?'
Titelverklaring: 'wat betekent de titel?'
Slide 28 - Tekstslide
Slide 29 - Tekstslide
Opdracht (10 minuten)
Lees de inleiding van degene naast je. Help bij het verbeteren van de inleiding. Verbeter ook je eigen inleiding.
Zit alles in de inleiding?
- Algemene informatie
- Informatie over het verhaal
- Vertel wat je gaat doen
- Vertel welke begrippen je gaat gebruiken
Slide 30 - Tekstslide
Opdracht (30 minuten)
Schrijf het middenstuk. Vier van de zes begrippen gebruik je. Voor elk begrip gebruik je een eigen alinea.
Denk aan:
- Kernzinnen
- Voorbeelden uit het boek
- Het juiste gebruik van de begrippen
Slide 31 - Tekstslide
Huiswerk
Maak de verbetering van je inleiding af. Maak je middenstuk af.
We gaan dinsdag verder met het schrijven van de opdracht.