Les 3, D grammaire (17-03) 3havo


Goedemorgen!!
Pak je werkboek, aantekeningenschrift en etui.

Dagopening 'Burn-out onder jongeren'

Aujourd'hui, c'est lundi
   H3A
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les


Goedemorgen!!
Pak je werkboek, aantekeningenschrift en etui.

Dagopening 'Burn-out onder jongeren'

Aujourd'hui, c'est lundi
   H3A

Slide 1 - Tekstslide




Het onderzoeksinstituut ziet drie belangrijke bronnen van stress voor deze jonge werkenden: prestatiedruk, onzekerheden en sociale druk.

Slide 2 - Tekstslide

- Ken je iemand met een burn-out? Wat deed deze persoon om eraf te komen? (klassikaal)

in duo's:
 - Vind jij dat de maatschappij te hoge eisen stelt aan jongeren? Waarom wel of niet?
-Heb jij weleens het gevoel dat er te veel van je verwacht wordt? Hoe ga je daarmee om?

timer
1:30

Slide 3 - Tekstslide

Le programme:
  check inleveren ex. 11A
- Grammaire D de passé composé

Slide 4 - Tekstslide

Les buts (leerdoelen):
- Aan het einde van de les kun je de passé composé met être gebruiken

Slide 5 - Tekstslide

Est-ce que tout le monde est présent?
- Zijn we compleet? Wie missen we?

Slide 6 - Tekstslide

D, grammaire
Ouvre le livre à la page 106

Koppel je laptop met de LessonUp

Slide 7 - Tekstslide

Wat weet je nog over de passé composé met avoir?
Bijv: j'ai mangé une pizza.

Slide 8 - Woordweb

Kies de juiste vorm van de passé composé met avoir:
Tu _________ (voyager) en train?
A
a voyagé
B
as voyagé
C
avons voyagé
D
avez voyagé

Slide 9 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van de passé composé met avoir:
Nous _________ (manger) des frites.
A
a mangé
B
as mangé
C
avons mangé
D
avez mangé

Slide 10 - Quizvraag

Nieuw: passé composé met être

Ik kan de passé composé met être gebruiken.

Je suis allé à la fête de Léa.

Tu es resté à la maison?

Slide 11 - Tekstslide

Vidéo 1:
de passé composé

Slide 12 - Tekstslide

Vidéo 2:
de passé composé met être (zijn)

Slide 13 - Tekstslide

Samenvatting grammaire D:

Herhaling = avoir + voltooide tijd
ww. op -er -> é (j'ai travaillé)
ww. op -ir -> i (j'ai choisi)
ww. op -re -> u (j'ai attendu)

Onregelmatige vormen
1) avoir -> eu -> j'ai eu
2) être -> été -> j'ai été
3) faire -> fait -> j'ai fait
4) prendre -> pris -> j'ai pris
Nieuw = keuze avoir / être

- Gebruik je in het Nederlands hebben, dan gebruik je in het Frans meestal avoir (ik heb gepraat, j'ai parlé)
- Gebruik je in het Nederlands zijn, dan gebruik je in het Frans meestal être -> + eventuele uitgangen (ik ben aangekomen, je suis arrivé(e))









Slide 14 - Tekstslide

Attention!
Thomas est allé au cinema.
Léa est allée au cinéma.

Thomas et Luc sont allés au cinéma.
Léa et Sophie sont allées au cinéma.

Wat is de regel?

Slide 15 - Tekstslide

Uitgangen als je être gebruikt als hulpwerkwoord:
Mnl. ev.
x
Il est resté
Mnl. mv.
s
Ils sont restés
Vrl. ev
e
Elle est restée
vrl. mv
- es
Elles sont restées

Slide 16 - Tekstslide

Voltooid deelwoord aanpassen?
il est ____ (aller) au cinéma.
A
allé
B
allés
C
allées
D
allée

Slide 17 - Quizvraag

Voltooid deelwoord aanpassen?
Elle a ___ (danser) avec sa copine.
A
dansé
B
dansée
C
dansés
D
dansées

Slide 18 - Quizvraag

Voltooid deelwoord aanpassen?
Ils sont ___ (arriver) vers 15h.
A
arrivé
B
arrivée
C
arrivés
D
arrivées

Slide 19 - Quizvraag

Kies de juiste vorm. **
Luc _____ (visiter) sa grand-mère.
denk aan hulpww. + uitgang
A
es visité
B
es visitée
C
a visité
D
as visités

Slide 20 - Quizvraag

Kies de juiste vorm. **
Elles ___ (rester) à la maison pour regarder la série.
A
ont restées
B
ont resté
C
sont restée
D
sont restées

Slide 21 - Quizvraag

Kies de juiste vorm. **
Je/j' ___ (aller) à l'école.
A
suis allé
B
suis allés
C
ai allé
D
allés

Slide 22 - Quizvraag

Stappenplan:
1) Vertaal naar het Nederlands -> gebruik je hebben / zijn als werkwoord
--> hebben -> avoir -> x uitgangen
--> zijn -> être -> uitgangen

Slide 23 - Tekstslide

Au travail:
Quoi (wat)? Maak eerst een samenvatting in je aantekeningenschrift van grammaire D. Lees daarna verder.
Fais exercice:
- 15BCD (maak de passé composé met avoir, gebruik evt. grijze woordenlijst achterin) + 16A (onderstreep de passé composé vormen) BCD (maak de passé composé met être, denk aan uitgangen) + 17 (maak 4 nieuwe zinnen waarbij je de passé composé gebruikt).

Vind je het lastig? Lees eerst nog eens de uitlegblokjes.

Questions? Steek je vinger op of overleg fluisterend in duo
Prêt (klaar)? Herhalen vocabulaire A+B / leren grammaire D

Slide 24 - Tekstslide

Les devoirs (huiswerk):
- Faire: samenvatting grammaire D maken + exercice 15BCD, 16ABCD, 17
- Apprendre: aantekening grammaire D

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide