L'impératif

Bonjour 
Qu'est- ce qu'on va faire aujourd'hui?
- L'impéartif ( explication)
- Faites les exercices: 37 et 38
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bonjour 
Qu'est- ce qu'on va faire aujourd'hui?
- L'impéartif ( explication)
- Faites les exercices: 37 et 38

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wat weet je over de 'gebiedende wijs' in het Nederlands?

Slide 3 - Tekstslide

Sta op!
Ga zitten!
Wees stil!
Eet je pizza!
Loop eens door!

In het Nederlands bestaat 1 vorm van de gebiedende wijs
Geen onderwerp
mét uitroepteken!

Slide 4 - Tekstslide

                       L'impératif    (=gebiedende wijs)

Luc, fais tes devoirs!
Faisons nos devoirs!
Luc et Lucie, faites vos devoirs!

   De gebiendende wijs heeft 3 vormen. Tot wie richten de 3 zinnen zich?

Slide 5 - Tekstslide

                       L'impératif    (=gebiedende wijs)


Luc, fais tes devoirs!                (je richt je tot 1 persoon die je met jij aanspreekt) 
Faisons nos devoirs!                (je richt je tot jezelf en tot andere personen)
Luc et Lucie, faites vos devoirs!  (je richt je tot meer personen of tot een u)

In welke  3 vormen staat het werkwoord ? 



   

Slide 6 - Tekstslide

                       L'impératif    (=gebiedende wijs)

Luc, fais tes devoirs!                 
je richt je tot 1 persoon die je met jij aanspreekt         --> je - vorm  ( présent) 
Faisons nos devoirs!                
je richt je tot jezelf en tot andere personen                 --> nous - vorm ( présent)
Luc et Lucie, faites vos devoirs! 
je richt je tot meer personen of tot een u                     --> vous - vorm ( présent)

In welke  3 vormen staat het werkwoord ? 



   

Slide 7 - Tekstslide

Let op de uitzonderingen!
hier is alleen de 1e vorm anders
être en avoir zijn helemaal onregelmatig

Slide 8 - Tekstslide

l'impératif
les démarches:
  • vraag je af tegen wie je het gezegd wordt
  • kies de ik-vorm, de wij-vorm of de u-vorm van de présent
  • let op de uitzondering bij 'aller'
  • lest op de afwijkende vormen bij 'avoir' en 'être'

Slide 9 - Tekstslide

Pierre, ____ la télé! (regarder)
A
regarde
B
regardes
C
regardons
D
regardez

Slide 10 - Quizvraag

Les éleves, _____ vos devoirs! (faire)
A
fais
B
faites
C
faisons
D
fait

Slide 11 - Quizvraag

Madame, ______ prudent! (être)
(wees voorzichtig)
A
sois
B
soit
C
soyons
D
soyez

Slide 12 - Quizvraag

Faire:
Les exercices: 37,38, 39

Slide 13 - Tekstslide