Grammar A1/A2 FIX les 5

Grammar A1/A2 FIX les 5
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Grammar A1/A2 FIX les 5

Slide 1 - Tekstslide

Welcome dear students
For today:
- Samenvatting vorige week
- Demonstrative pronouns = aanwijzende voornaamwoorden
- Adjectives = bijvoeglijke naamwoorden
- Homework

Slide 2 - Tekstslide

Samenvatting vorige week
Regelmatige werkwoorden: krijgen in de VT -ed als uitgang
Voorbeeld: Yesterday they played football.

Onregelmatige werkwoorden:  veranderen van vorm en klank in de VT. Daar is geen vaste regel voor (uit het hoofd leren)
Voorbeeld: Last Saturday I saw a great movie in the cinema.



Slide 3 - Tekstslide

Samenvatting vorige week
Many / Much = Veel
Many => telbare woorden (many flowers)
Much => ontelbare woorden (much homework)
Few/ little = weinig
Few => telbare woorden (few people)
Little => ontelbare woorden (little time)
A few / a Little = een paar/ een beetje
A few => telbare woorden ( a few friends)
A little => ontelbare woorden (a little sugar)

Slide 4 - Tekstslide

Samenvatting vorige week
Some / Any = wat/ een aantal / enige
Some: gebruik je in bevestigende zinnen.
Voorbeeld: There are some people over there.
Any: gebruik je in vragende en ontkennende zinnen.
Voorbeeld: Were there any people at the stadium?
There weren't any tickets left.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Samengevat
Enkelvoud
Meervoud
Signaalwoorden
Dichtbij
This
These
(over)here, next to me, right here
Veraf
That
Those
(over)there, across the room, behind the counter

Slide 10 - Tekstslide

Fill in the correct demonstrative pronoun

1. Look at (…) newspaper here.

Slide 11 - Open vraag

Fill in the correct demonstrative pronoun
use a , between your anwers
2. (…) are my grandparents, and (…) people over there are my friend's grandparents.


Slide 12 - Open vraag

Fill in the correct demonstrative pronoun

3. (…) bottle over there is empty.


Slide 13 - Open vraag

Fill in the correct demonstrative pronoun
Use a , between your answers

4. (…) is my phone and (…) are your parents’ phones on the shelf over there.



Slide 14 - Open vraag

Fill in the correct demonstrative pronoun

5. (…) book here is mine.

Slide 15 - Open vraag

Je gebruikt 'this'/'these' wanneer iets...

Slide 16 - Open vraag

Je gebruikt 'this' voor (...) en je gebruikt 'those' voor (...)

Slide 17 - Open vraag

Je gebruikt 'that'/'those' voor iets dat...

Slide 18 - Open vraag

Je gebruikt 'that' voor (...) en je gebruikt 'those' voor (...)

Slide 19 - Open vraag

Signaalwoorden voor 'this'/'these' zijn...
Signaalwoorden 'that'/'those' zijn...

Slide 20 - Open vraag

Demonstrative pronouns
Go to: https://play.blooket.com and enter the Game ID


Slide 21 - Tekstslide

Adjectives

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Slide 25 - Tekstslide

Zoals je weet bestaat er in het Engels een vaste woordvolgorde: wie / doet / wat / waar / wanneer.

 

He - watched - a film - on television - last weekend.

Wie - doet - wat - waar - wanneer

Slide 26 - Tekstslide

Je kunt ook een adjective (bijvoeglijk naamwoord) aan een zin toevoegen. Een adjective zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Je zet ze dan voor het zelfstandig naamwoord.

He watched a funny film.
They bought a lovely dress.
We had a good time.

Slide 27 - Tekstslide

Soms zet je een adjective achter het werkwoord. In dat geval geeft de adjective extra informatie over het onderwerp. 
Dit kan bij werkwoorden zoals to be, look, appear en seem.
  

She looks amazing in my new dress.
I am curious to see that new film.
They seem focussed on their singing careers.

Slide 28 - Tekstslide

My friends have a ... hide-out place.
This ... comedy in set in Los Angeles in 1990.
She is ...! She makes so many jokes.
The ... Harry Potter movies was the best.
romantic
first
hilarious
secret

Slide 29 - Sleepvraag

Type the number where the adjective belongs:
She was (1) a (2) model (3) when she was (4) younger. (beautiful)

Slide 30 - Open vraag

Type the number where the adjective belongs:
This (1) house (2)is (3). (huge)

Slide 31 - Open vraag

the woman is happy.
Wat is de adjective?
A
woman
B
is
C
happy
D
the

Slide 32 - Quizvraag

She has green hair
Wat is de adjective?
A
she
B
hair
C
has
D
green

Slide 33 - Quizvraag

Sarah has a beautiful cat
wat is de adjective?
A
sarah
B
has
C
beautiful
D
cat

Slide 34 - Quizvraag

Jim is a funny guy
Wat is de adjective?

A
funny
B
is
C
guy
D
Jim

Slide 35 - Quizvraag

Homework
Work on Chapter 4 Irregular verbs / Nouns  and adjectives in FIX Engels.

Slide 36 - Tekstslide