(scheidbare ) werkwoorden en vaste voorzetsels

(scheidbare ) werkwoorden en vaste voorzetsels
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

(scheidbare ) werkwoorden en vaste voorzetsels

Slide 1 - Tekstslide

(lopen): jij................... naar huis.
A
loop
B
loopt
C
lopt
D
lopen

Slide 2 - Quizvraag

(lopen): .................... jij naar huis?
A
loop
B
loopt
C
lopt
D
lopen

Slide 3 - Quizvraag

(niezen): Hij ............... 3 keer achter elkaar.
A
niez
B
niezt
C
nies
D
niest

Slide 4 - Quizvraag

(versturen): De vader .................. vandaag zijn belastingaangifte.
A
versturt
B
verstuurt
C
verstuurdt
D
verstuur

Slide 5 - Quizvraag

uitrusten
A
Hij uitrust de hele avond thuis.
B
Hij russt de hele avond thuis uit.
C
Hij rust de hele avond thuis uit.
D
Hij uitrustt de hele avond thuis.

Slide 6 - Quizvraag

Jij .................. ook nooit op tijd in de klas!
A
is
B
hebt
C
bent
D
ben

Slide 7 - Quizvraag

De directeur gaat akkoord ............... een vrije dag voor de bruiloft.
A
voor
B
mee
C
aan
D
met

Slide 8 - Quizvraag

Hoe denk jij ................ elke dag tot 4 uur naar school moeten?
A
aan
B
over
C
voor
D
na

Slide 9 - Quizvraag

Het is 15 minuten lopen .............. de bushalte.
A
na
B
naar

Slide 10 - Quizvraag

........... schooltijd ga ik altijd eerst thuis op de bank liggen.
A
naar
B
na

Slide 11 - Quizvraag

Ben jij wel uitgerust .............. het SUikerfeest?
A
naar
B
na

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?
Om 8 uur ligt hij nog steeds in zijn bed te slapen.
A
hij
B
ligt
C
slapen
D
zijn bed

Slide 13 - Quizvraag