1-Uiteenzetting: Uiteenzetting, Achtergrondartikel, Bouwplan

Nederlands
Schrijven: Uiteenzetting
Les 1
VWO/HAVO 2

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Schrijven: Uiteenzetting
Les 1
VWO/HAVO 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan het einde van deze les
... ken je de planning van periode 3.
... heb je jouw voorkennis over schrijfvaardigheid opgehaald.
... weet je in grote lijnen hoe de schrijfopdracht van jaar 2 er uitziet.
... weet je wat de verschillen zijn tussen een uiteenzetting en een betoog.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen in periode 1?
Wat?                                                                       telt mee  wanneer?
Schrijven (uiteenzetting)
- Schrijven met bronnen-                             
Literaire mindmap 
- Fictiebegrippen  op boek naar keuze)
Begrijpend lezen (langere teksten)  
                        
3x

1x

3x

week 16 (half april)

week 20 (half mei)
3 tot 4 lessen
week 24 of 25 (toetsweek)


Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog over schrijfvaardigheid van jaar 1?
Welke begrippen ken je nog?
(denk ook aan de Dorpskrant)

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uiteenzetting
In een uiteenzetting geeft de schrijver uitleg over een bepaald onderwerp. De schrijver beschrijft bijvoorbeeld uit hoe iets in elkaar zit, hoe iets in de loop van de geschiedenis is ontstaan of een probleem en geeft oplossingen. 

Bij het schrijven van een uiteenzetting geef je nooit je eigen mening.

Tekstsoort: uiteenzetting
Tekstdoel: Informeren

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toets
In grote lijnen:

Je kiest 1 (van de 3) onderwerpen .
Je gaat op zoek naar minimaal 3 bronnen.
Print de bronnen uit + linkjes noteren. Verder GEEN aantekeningen.
Je vult het bouwplan in. Levert dit in bij de docent. Je levert de bronnen in.
Je schrijft je eindtoets (tekst 1 A4’tje) in Learnbeat.



Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf een informatieve tekst (tekstdoel: uitleg geven).
Pakkende en originele titel.
Inleiding, middenstuk en slot.
Kies 1 tekststructuur.
Verwerk feiten.
Vermeld drie bronnen.
Taalgebruik, spelling, interpunctie.



Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aspectenstructuur

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

verklaringsstructuur

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

verleden/heden(/toekomst)structuur

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vraag/antwoordstructuur

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

probleem-oplossing

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Achtergrondartikel (uiteenzetting)
Bij een achtergrondartikel is de vraag niet: Wat is er gebeurd?
Maar bijvoorbeeld: Hoe is het gebeurd? (Waarom? En wat zijn de gevolgen?)

Voorbeeld: Op Prinsjesdag wordt het financiële beleid van het kabinet voor het nieuwe jaar bekend gemaakt. (doel: informeren)
  • In een nieuwsartikel (doel:informeren) hierover wordt beschreven wat er met Prinsjesdag bekend is gemaakt.
  • In een achtergrondartikel (uiteenzetting, doel: informeren) hierover wordt beschreven hoe het kabinet tot deze keuzes is gekomen.


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het schrijfdoel van een uiteenzetting is:
A
Informeren
B
Activeren
C
Overtuigen
D
Uitleg geven

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In een uiteenzetting komen nooit meningen van mensen voor:
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In een uiteenzetting komt de mening van de schrijver duidelijk naar voren:
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een belangrijk kenmerk van de uiteenzetting is dat deze altijd .... is
A
Interessant
B
Objectief
C
Subjectief
D
Overtuigend

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Met de hoofdgedachte geef ik in mijn bouwplan aan....
A
wat ik van het onderwerp vind
B
wat het onderwerp is van de tekst (in een paar woorden)
C
wat ik met mijn tekst wil bereiken (waar gaat mijn tekst over in één zin)

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord is fout:
In mijn bouwplan....
A
noteer ik de links naar drie betrouwbare bronnen
B
kies ik in het slot voor een kernzin die een samenvatting geeft of een conclusie
C
kies ik in het slot voor een kernzin waarin mijn advies naar voren komt

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak jij een inleiding aantrekkelijk voor de lezer?
Schrijf minimaal twee (van de vier) manieren op.

Slide 22 - Open vraag

Introduceer het onderwerp.
Begin met een anekdote.
Noem de aanleiding voor het schrijven van de tekst.
Stel een vraag aan de lezer, die je later gaat beantwoorden.
Uiteenzetting
Betoog
Tekstdoel = informeren
Tekstdoel = overtuigen
In de inleiding wordt de mening van de schrijver duidelijk.
De tekst is subjectief.
De tekst is objectief.
In de kern staat de mening van de schrijver, met argumenten
In de kern staan feiten met uitleg.
Tekststructuur =
standpunt-argument

Tekststructuren kunnen zijn:
vraag – antwoord
vergelijking
probleem-oplossing
chronologie


In de inleiding wordt het onderwerp genoemd.

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Uiteenzetting

  • Tekstdoel = informeren
  • Objectief
  • In de kern staan feiten met uitleg.
  • In de inleiding wordt het onderwerp genoemd.
  • Tekststructuren kunnen zijn:
    probleem-oplossing
    vergelijking
     oorzaak – gevolg
     chronologie
     beschrijving
Betoog

  • Tekstdoel = overtuigen
  • Subjectief
  • In de kern staat de mening van de schrijver, met argumenten
  • In de inleiding wordt de mening van de schrijver duidelijk.
  • Tekststructuur = standpunt-argument


Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Informeren of overtuigen?

Op de volgende slides staan korte omschrijvingen van situaties. Hieruit kun je het tekstdoel afleiden.
Geef per omschrijving aan welk tekstdoel de schrijver gebruikt.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je leest een artikel in de schoolkrant van een medeleerling. Hij vindt dat het dragen van uniformen verplicht moeten worden op het ATC en geeft hier drie argumenten voor.
A
informeren
B
overtuigen

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je leest in de Quest een interessant artikel
over de relatie tussen topvoetballers
en dementie.
A
informeren
B
overtuigen

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je vraagt aan een vriend of hij je kan uitleggen waarom je Fortnite niet meer kan downloaden in de appstore.
A
informeren
B
overtuigen

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je wilt meer zakgeld. Tijdens het avondeten wil je aan je ouders een verhoging vragen. Je bereidt jouw redenen goed voor.
A
informeren
B
overtuigen

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Uiteenzetting of betoog?
Op de volgende slides staan korte omschrijvingen van de inhoud van een tekst. Hieruit kun je de tekstsoort afleiden.
Geef per omschrijving aan van welke tekstsoort de schrijver waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een natuurkundige legt in een jongerenblad uit hoe een regenboog ontstaat.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tijdens de kerstdagen heeft een Amsterdamse journalist een week meegereisd met een familie op ski-vakantie. Voor de krantenlezer geeft hij zijn indrukken van een weekje skiën weer in een beschrijving van die week.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een bezoeker van een dierentuin in Amsterdam legt in een ingezonden brief uit waarom hij het belachelijk vindt dat de dieren niet door bezoekers mogen worden gevoerd.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De schrijver beschrijft in tekst A de geschiedenis van het zorgstelsel in Nederland.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De schrijver waarschuwt artsen en zegt in tekst B dat artsen niet goed inzien dat er grote beperkingen zijn in het zorgsysteem.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De schrijver wijst in tekst C op de verschillende mogelijkheden van alternatieve geneeswijzen.
A
betoog
B
uiteenzetting

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel behaald?
Ik weet wat de verschillen zijn tussen een uiteenzetting en een betoog.
A
Ja
B
Nee

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tot slot: Beschrijf in eigen woorden wat je deze les hebt geleerd?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Klaar?

Open het bouwplan (zie SomToday). Lees het bouwplan alvast door.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies