5H Herhaling evolutie les 1 4.1 Indeling van de levende natuur

1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 36 slides, met tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
  • Leerdoelen
  • Video Hoe is het leven op Aarde ontstaan? --> 7 min. 
  • Video Archea --> 4 minuten
  • Uitleg basisstof 4.1 Indeling van de levende natuur
  • Opdracht begrippen
  • Opdracht celkenmerken
  • Zelfstandig oefenen
  • Afsluiting 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema 4 Evolutie
4.1 Indeling van de levende natuur
4.2 Bacteriën, virussen en schimmels
4.3 De evolutietheorie
4.4 Evolutie in populaties
4.5 Onderzoek naar evolutie

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 
  • Je kunt het ordeningssysteem van organismen beschrijven en toepassen.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontwikkelingen van het leven op aarde
De aarde bestaat ongeveer 4,6 miljard jaar.

Sinds het ontstaan van de aarde zijn er allerlei soorten organismen ontstaan. Eerst ontstonden eencellige organismen. Hieruit hebben zich langzaam alle soorten ontwikkeld die wij nu kennen.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontwikkeling van leven op aarde
- 2,5 miljard jaar geleden: eencellige organismen in zeeën en oceanen: 
- 900 miljoen jaar geleden:  meercellige organismen
- 450 miljoen jaar geleden: eerste gewervelde dieren (vissen) en landplanten
- 400 mlj. jaar geleden: landdieren

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Biodiversiteit
De ontwikkeling van levensvormen heeft geleid tot een enorme verscheidenheid aan organismen.

Biodiversiteit zijn alle verschillende organismen op aarde.

--> Goed ordeningssysteem nodig.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ordening
Gebaseerd op:
  • Moleculaire eigenschappen --> bouw van eiwitten, membranen en het erfelijk materiaal.
  • Uiterlijke kenmerken --> celtype, aantal cellen, celwand, celorganellen enz.
  • Voedingswijze

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema 4 Evolutie
Oriëntatie
4.1 Indeling van de levende natuur
4.2 Bacteriën, virussen en schimmels
4.3 De evolutietheorie
4.4 Evolutie in populaties
4.5 Onderzoek naar evolutie

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Manieren van voeden
Autotroof --> zelfvoedend (fotosynthese, dus chlorofyl)
  • Gebruiken anorganische stoffen, zetten dit om in organische stoffen    --> CO2 + H20 (en zonlicht) --> C6H12O6

Heterotroof
 --> anders voedend (hebben dus andere organismen nodig om zicht te voeden)
  • Gebruiken organische stoffen


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heterotroof en autotroof 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Autotroof





Planten zijn foto-autotroof: zij maken zelf organische stoffen (autotroof) met behulp van zonlicht (foto).
Anorganisch --> organisch

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Autotrofe bacterieën
Gebruiken licht of stoffen als energiebron bij assimilatie

  • Foto-autotroof: licht als energiebron
  • Chemo-autotroof: Stof als energiebron

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organismen nemen organische en anorganische stoffen op
Anorganische stoffen 
  • klein en eenvoudig gebouwd
  • bestaan maar uit een paar atoomsoorten
  • bevatten weinig energie
  • belangrijkste voorbeelden: O2, CO2, H2O, NO3-, N2 etc
Organische stoffen 
  • ingewikkelder van bouw
  • bestaan uit C en H atomen en meestal ook uit O atomen (vaak N en/of P en soms S)
  • zijn door organismen geproduceerd 
  • bevatten veel energie
  • belangrijkste voorbeelden: glucose, zetmeel, aminozuren, eiwitten, DNA/RNA, chlorofyl

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



Organismen nemen organische en anorganische stoffen op
Organische stoffen --> afkomstig van organismen of producten daarvan. C- en H- atomen. Grotere moleculen, energie. 

Anorganische stoffen --> kleine moleculen, weinig energie. Bevatten niet de elementen koolstof (C) en waterstof (H).  



Slide 17 - Tekstslide

Organische stoffen zijn afkomstig van organismen of van producten van organismen. In het molecuul moet minimaal een H-atoom en een C-atoom zitten om de stof organisch te noemen. Veel organische stoffen bevatten ook een O-atoom. Elke stof die geen C of H bevat is zeker een anorganische stof te noemen.
Water en koolstofdioxide zijn anorganische stoffen. Glucose en methaan zijn organische stoffen.
Anorganische stoffen
Anorganische stoffen
Afkomstig uit levenloze natuur
Bijvoorbeeld: water, zuurstof,
koolstofdioxide, ijzer en zouten

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organische stoffen
  • Bevatten altijd C (koolstof), H (waterstof) en meestal O (zuurstof) atomen 
  • Komen voor in organismen / zijn afkomstig van organismen 
  • zijn meestal grote en ingewikkelde moleculen 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organisch en anorganisch

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Producenten
  • Een producent is altijd een autotroof organisme
  • Producenten (planten) maken van anorganische stof organische stof door fotosynthese

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zeeslak
  • Neemt bladgroenkorrels van algen op
  • Fotosynthese
  • Blijven hele leven in zeeslak

Plant of dier?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Omschrijf de volgende begrippen in je schrift:
  • Anorganisch 
  • Organisch 
  • Hetrotrofe organismen
  • Autotrofe organismen
timer
4:00

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organismen nemen organische en anorganische stoffen op
Anorganische stoffen 
  • klein en eenvoudig gebouwd
  • bestaan maar uit een paar atoomsoorten
  • belangrijke voorbeelden: O2, CO2, H2O, NO3-, N2 etc

Organische stoffen 
  • ingewikkelder van bouw
  • bestaan uit C en H atomen en meestal ook uit O atomen (vaak N en/of P en soms S)
  • zijn door organismen geproduceerd 
  • belangrijkste voorbeelden: glucose, zetmeel, aminozuren, eiwitten, DNA/RNA, chlorofyl

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Manieren van voeden
Heterotroof --> anders voedend (hebben dus andere organismen nodig om zicht te voeden)
  • Gebruiken organische stoffen

Autotroof
--> zelfvoedend (fotosynthese, dus chlorofyl)
  • Gebruiken anorganische stoffen, zetten dit om in organische stoffen    --> CO2 + H20 (en zonlicht) --> C6H12O6



Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ordening
Indeling van de levende natuur --> drie domeinen: bacteriën, archaea en eukaryoten

Bacteriën en archaea behoren tot de prokaryoten.

Schimmels, planten, dieren en protisten --> eukaryoten.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

0

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

 Prokaryoot en eukaryoot
Prokaryoot
  • Organismen zonder een echte celkern in de cellen (geen kernmembraan)
  • Altijd eencellig
  • Domeinen: bacteriën en archaea
Eukaryoot
  • Organismen met celkernen in de cellen --> kernmembraan
  • Vaak meercellig maar kunnen ook eencellig zijn
  • Domein: eukyaroten (rijken: schimmels, planten en dieren)

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indelen in 4 rijken
Organismen kunnen worden verdeeld in 4 rijken (BiNaS tabel 78). Je ziet het verschil door te kijken naar de bouw van de cel.

Ieder organisme heeft:
cytoplasma
celmembraan

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De cellen van planten, dieren, schimmels en bacteriën. 

Slide 31 - Tekstslide

Laat de leerlingen de afbeelding overnemen in hun schrift en invullen

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organismen kun je indelen in steeds kleineren groepen
  • Een domein (bv eukaryoten ) wordt ingedeeld in rijken 
  • Een rijk wordt ingedeeld in stammen 
  • Een stam wordt ingedeeld in klassen 
  • Een klasse wordt ingedeeld in ordes
  • Een orde wordt ingedeeld in families 
  • Een familie wordt ingedeeld in geslachten 
  • Een geslacht wordt ingedeeld in soorten 

Organismen kun je indelen in steeds kleineren groepen

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Binaire naamgeving
Soorten krijgen een wetenschappelijke naam: de binaire naamgeving.
  • Geslachtsnaam en soortaanduiding
  • Geslachtsnaam is voorop, met grote letter
  • Soortaanduiding is achterop, met kleine letter. -------------------->

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Binaire naamgeving
Geslachtsnaam + soortsaanduiding (+ ontdekker)

2 soorten madeliefjes:
Bellis perennis L.
Bellis azorica L.

uit hetzelfde geslacht
uit de familie van de composieten
Carolus Linnaeus

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhalen en/of extra oefenen


Oefenvragen examenbundel 
--> 9. Ecosystemen; dynamiek en diversiteit

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies