Persoonlijk voornaamwoord als onderwerp - Lijdvw - meewvw & y+en

1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Les pronoms personnels

Slide 2 - Tekstslide

Les pronoms
* Le pronom als onderwerp 
* Le pronom  OBJET DIRECT (lijdend vw)
* Le pronom  OBJET INDIRECT (meew. vw)
*les pronoms  Y & EN

Slide 3 - Tekstslide

Pronom personnel
Lijdend vw en meewerkend vw
Doel van de les:
1. hoe je een en zelfst. nw of eigen naam kunt vervangen door een pers.vnw (pronom personnel)
2. welke pronoms je moet gebruiken als:
 onderwerp, als lijdend voorwerp en als meewerkend voorwerp
3. waar in de zin je deze pronoms moet plaatsen

Slide 4 - Tekstslide

Onderwerp: il, elle, ils, elles
- Vervangt personen of dingen als onderwerp van de zin.
- plek: staat voor het werkwoord!

Voorbeeld: vervang onderwerp door il, elle, ils of elles
Sophie est belle                        Elle est belle
Paul est gentil                            Il est gentil
Les sacs sont beaux               Ils sont beaux
Sophie et Lisa sont belles     Elles sont belles

Slide 5 - Tekstslide

Vervang "les filles" door
il, elle, ils of elles.

Les filles sont petites
A
ils
B
elles
C
il
D
elle

Slide 6 - Quizvraag

Vervang het onderwerp door een pers. vnw:
Paul et Thomas ont un problème.
A
il
B
elles
C
elle
D
ils

Slide 7 - Quizvraag

Schrijf de zin opnieuw & vervang het onderwerp door een pers. vnw.

La maison est grande

Slide 8 - Open vraag

Lijdend voorwerp 
Het lijdend voorwerp in de zin vind je door antwoord te geven op de vraag:
Wie of wat + onderwerp + gezegde

Voorbeeld: Ik koop een boek. Vraag: Wie of wat koop ik?
een boek = lijdend voorwerp
TIP: voor een lijdend voorwerp staat nooit een voorzetsel!!!

Slide 9 - Tekstslide

Lijdend voorwerp LE, LA, L', LES
(vervangt dingen of personen)
Ik zie de kat                                                        Je vois le chat
Ik zie hem                                                           Je le vois

Ik zie de vrouw                                                 Je vois la femme
Ik zie haar                                                           Je la vois

Ik stuur de brief                                               Elle envoie la lettre.
Ik stuur hem.                                                     Elle l'envoie.

Ik zie de kat en de vrouw                            Je vois le chat et la femme
Ik zie ze                                                               Je les vois 

Slide 10 - Tekstslide

Vervang "le film" door een pers. vnw.

Je regarde le film
A
Je la regarde
B
Je les regarde
C
Je le regarde
D
Je l' regarde

Slide 11 - Quizvraag

Vervang "Paul" door een pers. vnw.

Elle aime beaucoup Paul

Slide 12 - Open vraag

Vervang "la chanson" door een pers. vnw.

Il chante la chanson

Slide 13 - Open vraag

Vervang "ces garçons" door een pers. vnw.

Je vois ces garçons souvent

Slide 14 - Open vraag

Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp in de zin vind je door antwoord te geven op de vraag:
Aan wie of voor  wie + onderwerp + gezegde + lijd. vw?

Voorbeeld: Ik geef een bloem aan mijn zus. 
Vraag: Aan wie geef ik een bloem ?
mijn zus = meewerkend voorwerp
TIP: voor een meewerkend vw staat (meestal) een voorzetsel 

Slide 15 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp LUI, LEUR
voor person(en)!!!!
als zinsdeel begint met een voorzetsel: à, au, aux + person(en)

LUI = man of vrouw. enkelv.
LEUR = meervoud

Je parle à Sophie.               Je lui parle.
Je parle à Marc.                    Je lui parle.
Je parle aux parents.         Je leur parle.

Slide 16 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp LUI, LEUR
voor person(en)!!!!
Ik geef een cadeau aan papa                                    Je donne un cadeau à papa
Ik geef hem een cadeau                                              Je lui donne un cadeau

Ik geef een cadeau aan mama                                 Je donne un cadeau à maman
Ik geef haar een cadeau                                             Je lui donne un cadeau

Ik geef een cadeau aan papa en mama.Je donne un cadeau à papa& maman
Ik geef hen een cadeau                                              Je leur donne un cadeau

Slide 17 - Tekstslide

Vervang "à Sophie" door een pers. vnw.

Nous parlons à Sophie
A
Nous leur parlons
B
Nous la parlons
C
Nous lui parlons
D
Nous les parlons

Slide 18 - Quizvraag

Vervang "aux élèves" door een pers. vnw.

Elle téléphonera aux élèves demain

Slide 19 - Open vraag

Vervang "à mon frère" door een pers. vnw.

Elle donne le livre à mon frère

Slide 20 - Open vraag

Vervang "au prof" door een pers. vnw.

Je donne un cadeau au prof

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Tekstslide

De plaats van het pronom
We plaatsen het pronom  LIJDENDVW / MEEWERKEND VW
- vóór de eerste persoonsvorm van de zin
- Maar.....als er een infinitief in de zin staat, dan plaatsen we het pronom vóór de infinitief.
Je prends le bus   = Je le prends
J'ai regardé la télé = Je l'ai regardé
Je vais prendre le train = je vais le prendre


Slide 23 - Tekstslide

Vervang "les exercices" door een pers. vnw.
Let op de plek!

Je peux faire les exercices.
A
Je les peux faire
B
Je peux lui faire
C
Je le peux faire
D
Je peux les faire

Slide 24 - Quizvraag

Vervang "le château" door een pers. vnw.
(let op de plek!)
Nous allons vendre le château

Slide 25 - Open vraag

Vervang "la lettre" door een pers. vnw.
(let op de plek!)
J'ai envoyé la lettre à Paul

Slide 26 - Open vraag

Vervang "les livres" door een pers. vnw.
(let op de plek!)

Vous aimez lire les livres

Slide 27 - Open vraag

Deel 2: Pronom personnel
Lijdend vw en meewerkend vw
Doel van de les:
1. hoe je een en zelfst. nw of eigen naam kunt vervangen door een pers.vnw (pronom personnel)
2. welke pronoms je moet gebruiken als:
 onderwerp, als lijdend voorwerp en als meewerkend voorwerp
3. waar in de zin je deze pronoms moet plaatsen

Slide 28 - Tekstslide

Lijdend voorwerp
(personen en dingen)
LE (man. / enkelv)
LA (vrouw. /enkelv.)
L' (enkel. voor klinker of h)
LES (meervoud)


geen voorzetsel
Meewerkend voorwerp
(voor personen)

LUI (1 persoon)
LEUR (meerdere personen)


wel een voorzetsel
(in het Frans o.a.: à, au, aux ...)

Slide 29 - Tekstslide

Herhaling
Onderwerp (dingen of personen): IL / ELLE / ILS / ELLES  (voor het ww)
Paul est beau = Il est beau

Lijdend voorwerp: geen voorzetsels (dingen of personen): LE / LA / L' / LES (voor 1ste ww of voor hele ww).   Je regarde la télé  = Je la regarde.

Meewerkend voorwerp: voorzetsels à, au, aux + (personen): LUI / LEUR  
(voor 1ste ww of voor hele ww)     Je parle souvent à Léa = Je lui parle souvent

Slide 30 - Tekstslide

Tu vois tes amis?
vervang 'tes amis'
A
Tu le vois?
B
Tu la vois?
C
Tu les vois?
D
Tu l'a vois?

Slide 31 - Quizvraag

Il ouvre la porte à Ellen.
vervang 'à Ellen'
A
Il lui ouvre la porte.
B
Il le ouvre la porte.
C
Il la ouvre la porte.
D
Il l'ouvre la porte.

Slide 32 - Quizvraag

Elle étudie la carte routière.
vervang 'la carte routière'
A
Elle la étudie.
B
Elle l'étudie.
C
Elle le étudie.
D
Elle étudie le.

Slide 33 - Quizvraag

Il parle souvent à ses parents.
vervang 'à ses parents'
A
Il le parle souvent.
B
Il parle souvent à leur.
C
Il lui parle souvent.
D
Il leur parle souvent.

Slide 34 - Quizvraag

On vend cette maison.
vervang 'cette maison' (v)
A
On la vend.
B
On le vend.
C
On les vend.
D
On vend la.

Slide 35 - Quizvraag

Nous donnons ce souvenir à Bart.
vervang 'à Bart'
A
Nous le donnons ce souvenir.
B
Nous donnons ce souvenir à lui.
C
Nous la donnons ce souvenir.
D
Nous lui donnons ce souvenir.

Slide 36 - Quizvraag

Est-ce que tu connais Jean-Pierre?
A
Oui, je lui connais.
B
Oui, je connais.
C
Oui, je le connais.
D
Oui, je la connais.

Slide 37 - Quizvraag

De voornaamwoorden "EN"
EN zijn onpersoonlijke voornaamwoorden.
- EN vervangt de (du, de la, des) + zelfst.nw
- EN gebruik je ook als er een cijfers in de zin staat.
- Plek: voor 1ste ww van de zin of voor hele ww.

Slide 38 - Tekstslide

Exemples 'EN' 
- Je viens de Paris (ik kom uit Paris) =   J'en viens. 
- J'ai du chocolat dans mon sac. (Ik heb chocolade in mijn tas) = J'en ai dans mon sac.
- Je veux prendre de la tarte (Ik neem taart.)  Je veux en prendre.
- Je veux encore des pommes (Ik wil nog appels) = J'en veux!
- Tu as beaucoup d'amis (Je hebt veel vrienden) =  Tu en as beaucoup.
- J'ai trois chats (ik heb drie katten) = J'en ai trois (let op: cijfer herhalen!)



Slide 39 - Tekstslide

De voornaamwoorden "Y"
Y is een onpersoonlijke voornaamwoord.
-  Y vervangt alle andere voorzetsels + plek/plaats of dingen
In het NL vertalen we Y vaak met 'ER'.
- Plek: voor 1ste ww van de zin of voor hele ww.

Slide 40 - Tekstslide

Exemples 'Y' 
Tu habites à Paris (Je woont in Parijs?). Tu y habites. 

Je vais au bureau demain (Je gaat morgen naar kantoor) = J'y vais. 

Tu aimerais aller en Chine ? (Zou jij naar China willen gaan?) = Tu aimerais y aller. 

Le chat est dans son panier ? (De kat ligt in zijn mandje?) = Il y est. 


Slide 41 - Tekstslide

Il parle "de ses devoirs".
Vervang je dit door y of en?
A
en
B
y

Slide 42 - Quizvraag

Je vais à Amsterdam.
Ik ga naar Amsterdam.
Ik ga er heen.
A
J'y vais.
B
Je vais y.

Slide 43 - Quizvraag

Vervang "à la bibliothèque" door een persoonl. vnw.
Elle va aller à la bibliothèque

Slide 44 - Open vraag

Vervang "des croissants" door een persoonl. vnw.

J'achète des croissants

Slide 45 - Open vraag

Vervang "d'amis" door een persoonl. vnw.

Mes frères ont peu d'amis

Slide 46 - Open vraag

Vervang "à l'école" door een persoonl. vnw.

Nous voulons aller à l'école à vélo


Slide 47 - Open vraag

Tu ne veux pas aller à Paris

Slide 48 - Open vraag


Vervang "soeurs" door een persoonl. vnw.

Tu as trois soeurs.

A
Oui, j'en ai trois
B
Oui, j'y ai trois

Slide 49 - Quizvraag

Vervang "à Paris" door een persoonl. vnw.

Tu vas souvent à Paris.

A
Tu en vas souvent.
B
Tu vas y souvent
C
Tu y vas souvent.
D
Tu vas y souvent

Slide 50 - Quizvraag

Vervang "voitures" door een persoonl. vnw.

Vous avez deux voitures

Slide 51 - Open vraag

Ik kan een zinsdeel door de persoonl. vnw "EN" en "Y" vervangen?
0100

Slide 52 - Poll

Slide 53 - Tekstslide