* Ik weet wanneer ik een hoofdletter moet gebruiken.
* Ik weet wanneer ik een punt, uitroepteken of vraagteken aan het eind van de zin gebruik.
* Ik weet of het woord een -d of een -t aan het eind heeft. Zoals paard - bed
* Ik kan een woord in het meervoud goed schrijven.
* Ik kan een woord als verkleinwoord goed schrijven.