Les 5- Wonen en Huishouden - Financiën & Eigen regie/ zelfredzaamheid

Wonen
Les 5- Financiën & Eigen regie/ zelfredzaamheid



1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
WonenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Wonen
Les 5- Financiën & Eigen regie/ zelfredzaamheid



Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aanwezigheidsregistratie
Aanwezigheid wordt meerdere malen tijdens de les ingevoerd door de docent.

Bij vroegtijdig verlaten van de les, zonder geldige reden of overleg, betekend 'ongeoorloofd afwezig'.

Ben je te laat? Alleen binnen met een briefje van de administratie. Anders na de 45 min. 


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
  1. Incheck
  2. Terugblik
  3. Lesdoelen
  4. Theoretische gedeelte
  5. Aan de slag
  6. Afsluiting les

Slide 4 - Tekstslide

Deel 1: 90 min (2 x45 min)

5 min. Welkom en AWR
5 min. Energizer
4 min. lesdoelen
3 min. Programma
20 min  Uitleg en Opbouw vak
10 min  Theoretische gedeelte
20 min  Leeractiviteit 2
10 min Lesdoelen check
3 minuten afsluiting les

80 min. totaal





Hoe voel jij je nu?
😒🙁😐🙂😃

Slide 5 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik
Elke les staan we stil bij wat we de vorige les hebben besproken. 


- Heb jij nog vragen over de vorige les?
- Wat is je bijgebleven van de vorige les?





Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het niet goed om teveel van een bepaald product op voorraad te hebben?
A
Producten kunnen bederven
B
Dan hebben mensen teveel keus
C
Omdat werknemers dan harder moeten werken
D
Kost ruimte en ruimte kost geld

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat houdt duurzaam werken in?
A
Meer producten gebruiken
B
Rekening houden met milieu

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is kostenbewust werken?
A
Geen overleg met collega's
B
Zonder budget inkopen doen
C
Rekening houden met werkgerelateerde kosten
D
Onverantwoorde uitgaven maken

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen

  • Je omschrijft wat wordt verstaan onder de financiële administratie.
  • Je omschrijft de administratieve werkzaamheden die een begeleider op zich neemt.
  • Je stelt een kasboek, een mailing en een brief op en maakt notities, registreert en archiveert.
  • Je ondersteunt een cliënt bij diens (financiële) administratie.
  • Je maakt een gezamenlijke afspraak via een online planningstool.
  • Je stelt een begroting op.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Administratie
Tijdens je werk krijg je te maken met administratieve taken. Het gaat dan vooral om het opschrijven en bewaren van informatie. Zoals een e-mail sturen naar je collega of een notitie maken als je informatie krijgt die je later nodig hebt. Ook cliënten hebben een administratie. Er wordt bijvoorbeeld bijgehouden hoeveel geld er binnenkomt en uitgaat. Cliënten hebben regelmatig advies en ondersteuning nodig bij hun financiële administratie.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Administratie
Administratie houdt in dat je informatie verzamelt, noteert, verwerkt, deelt met anderen en bewaart. Als begeleider werk je niet alleen met cliënten: ook het bijhouden van de administratie is een van jouw taken. Je verzamelt bijvoorbeeld informatie die gebruikt kan worden voor het begeleidingsplan van een cliënt. Je rapporteert bijzonderheden ten aanzien van de cliënt of je vult dossiers aan met contactgegevens. Je kunt ook namens de instelling waarvoor je werkt een brief schrijven aan naastbetrokkenen, bijvoorbeeld om ze te informeren over een activiteit die georganiseerd wordt.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Administratieve taken
De volgende administratieve taken horen bij het werk van een begeleider:

  • een brief schrijven
  • een e-mail opstellen
  • een notitie schrijven
  • een (digitale) agenda beheren
  • een mailing maken
  • algemene informatie registreren
  • systematisch (digitaal) archiveren.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Financiële administratie
Alle organisaties en instellingen houden een financiële administratie bij. Deze bestaat uit het vastleggen, opslaan en beheren van alle financiële gegevens. Zo houd je zicht op de inkomsten en uitgaven. Het is voor een organisatie ook verplicht om financiële gegevens te bewaren. Bijvoorbeeld voor de Belastingdienst. Een financiële administratie kan bestaan uit jaarrekeningen, begrotingen, kasboeken, budgetten, uitstaande facturen, te betalen rekeningen en bankafschriften.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kasboek
Voor een overzicht van de financiën over een bepaalde periode gebruik je een kasboek. Dit is een boek (papier of digitaal) waar je alle inkomsten en uitgaven in noteert. Een kasboek geeft inzicht in de financiële situatie en kan je helpen om te beslissen waar je bijvoorbeeld op kunt bezuinigen.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kasboek bijhouden

Een kasboek is eigenlijk een tabel waarin je per transactie bepaalde informatie noteert, zoals:
  • datum
  • nummer
  • omschrijving
  • inkomsten (debet)
  • uitgaven (credit)
  • kostenplaatsnummer: code die de boekhouder je geeft voor verschillende categorieën uitgaven; alle huishoudelijke uitgaven krijgen bijvoorbeeld de code H01.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begroten
Tijdens je werkzaamheden kan het voorkomen dat je een begroting opstelt. Dit is een totaaloverzicht van alle geschatte inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode of activiteit. Een begroting kun je om verschillende redenen opstellen. Zo krijg je beter inzicht in de gevolgen van een uitgave, het maakt inzichtelijk waarvoor je geld wilt gaan gebruiken en je kunt een schatting maken van toekomstige uitgaven en op basis daarvan een beslissing maken. In een begroting staan verschillende inkomsten en uitgaven, zoals personeelskosten, kosten voor huisvesting, afschrijvingskosten en kosten voor activiteiten.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Budgetteren
Budgetteren is een manier om de inkomsten en uitgaven op elkaar af te stemmen. Je brengt de financiële situatie in kaart en krijgt op die manier inzicht in hoe je evenwicht kunt bereiken of hoe je een financieel doel kunt behalen. Een budget is een vast bedrag dat je ergens aan kunt besteden. Denk maar aan je eigen situatie. Misschien heb je een maandelijks bedrag beschikbaar voor het kopen van kleding. Je budget staat dan vast en je kunt niet meer dan dat uitgeven. Zo werkt dat ook bij organisaties en instellingen. Je kunt nooit meer geld uitgeven dan dat je hebt, anders draai je verlies. Je kunt binnen je team een budget hebben voor bijvoorbeeld activiteiten, of voor verjaardags- en afscheidscadeaus van medewerkers.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de rol van een begeleider bij de administratie van een cliënt?
A
De begeleider is ervoor verantwoordelijk dat de cliënt zijn administratie zelf bijhoudt.
B
De begeleider is verantwoordelijk voor de financiële administratie van de cliënt.
C
De begeleider moet ervoor zorgen dat de administratie wordt belegd met de juiste persoon.
D
De begeleider houdt de administratie van de cliënt bij.

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat houdt budgetteren in?
A
Budgetteren is een manier om alleen je inkomsten bij te houden.
B
Budgetteren is een manier om de inkomsten en uitgaven op elkaar af te stemmen.
C
Budgetteren is een manier om alleen je uitgaven bij te houden.
D
Budgetteren heeft niets te maken met inkomsten en uitgaven.

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar gebruik je een kasboek voor?

Slide 22 - Open vraag

Voor een overzicht van de financiën over een bepaalde periode gebruik je een kasboek. Dit is een boek (papier of digitaal) waar je alle inkomsten en uitgaven in noteert. Een kasboek geeft inzicht in de financiële situatie en kan je helpen om te beslissen waar je bijvoorbeeld op kunt bezuinigen.
Wat is een budget?
A
Een budget is een vast bedrag dat je ergens aan kunt besteden.
B
Een budget zijn de vaste inkomsten die je maandelijks hebt.
C
Een budget zijn de uitgaven die je maandelijks hebt.
D
Een budget heeft niets te maken met het besteden van een bedrag.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waaruit bestaat de financiële
administratie?


Slide 24 - Open vraag

Alle organisaties en instellingen houden een financiële administratie bij. Deze bestaat uit het vastleggen, opslaan en beheren van alle financiële gegevens. Zo houd je zicht op de inkomsten en uitgaven. Het is voor een organisatie ook verplicht om financiële gegevens te bewaren. Bijvoorbeeld voor de Belastingdienst. 

Een financiële administratie kan bestaan uit jaarrekeningen, begrotingen, kasboeken, budgetten, uitstaande facturen, te betalen rekeningen en bankafschriften.
Wat is een begroting?
A
Dit is een totaaloverzicht van ALLEEN je inkomsten.
B
Dit is een totaaloverzicht van alle geschatte inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode of activiteit.
C
Dit is een totaaloverzicht van ALLEEN je uitgaven.
D
Dit heeft niets te maken met inkomsten en uitgaven.

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Naar wie kan je je cliënt doorverwijzen voor hulp bij schulden?

Slide 26 - Open vraag

Als een cliënt betalingsachterstanden en/of schulden heeft, kun je hem op weg helpen naar de juiste instanties. Zoals SchuldHulpMaatje: hier kan iedereen met geldproblemen aankloppen voor gratis hulp van een deskundige.

Ook kun je doorverwijzen naar een professionele schuldhulpverlener van de gemeente. Deze brengt samen met de cliënt in kaart welk bedrag hij maandelijks zou kunnen aflossen. De schuldhulpverlener benadert vervolgens alle schuldeisers (de instanties/bedrijven waar de cliënt een schuld bij heeft) om hun een betalingsvoorstel te doen. Als de schuldeisers akkoord gaan, kan de cliënt zijn schulden gaan aflossen.
Aan de slag
Boek: Methodisch begeleiden
Hfd:18, Begeleiden bij financiën en administratie
Kopje: 4, Weten en begrijpen
Opdr: 3 Financiën
Kopje: 6, Verdiepen en creëren
Opdr: 13 Ondersteunen

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eigen regie en zelfredzaamheid

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het belang van samenwerking met de cliënt inzake wonen en huishouden? 
- Iedereen heeft te maken met wonen en huishouden
- De bedoeling is dat iedereen zijn huis schoon houdt, de was doet, goed eet en fijn woont. Waarom ondersteund de begeleider?
- Niet iedereen kan dit zelf doen, daar is dan hulp bij nodig.

 Die hulp geven je als begeleider, waar en wanneer dit nodig is. 
- Het belang is samen met de cliënt te zorgen dat alles loopt binnen wonen  en huishouden, zodat het huis schoon huis, de kleding gewassen en heel is en dat de cliënt goed en gezond eet.
- De cliënt doet natuurlijk alles zelf wat zij/hij nog zelf kan, al is het met
   moeite.




Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer neem je huishoudelijke- /schoonmaakwerkzaamheden over?
Je ondersteund meer als:
- De cliënt het zelf niet kan;
- De cliënt de boel vervuilt;
- De cliënt het zelf niet meer ziet;
- De cliënt zichzelf door vervuiling in gevaar brengt;
- De cliënt een ander door vervuiling/verwaarlozing een ander in gevaar 
   brengt.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De begeleiding die je geeft binnen wonen en huishouden is......
A
Alles zelf doen
B
Alleen waar nodig
C
Wat het snelste werkt
D
Wat de cliënt vraagt

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zorg je ervoor dat de cliënt en naastbetrokkenen zoveel mogelijk zelf doen?                           
- Door alles wat de cliënt en naastbetrokkenen zelf kunnen 
   doen, ook door hunzelf te laten doen.
- Cliënt en naastbetrokken te activeren en te motiveren zoveel 
   mogelijk zelf te doen.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zorg je er NIET voor dat de cliënt en naastbetrokkenen zoveel mogelijk zelf doen?
A
Activeren
B
Zelf laten doen wat kan
C
Controleren
D
Motiveren

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

 Flexibele ondersteuning
Ondersteuning is altijd flexibel. De mate van ondersteuning verschilt niet alleen per cliënt, maar kan ook bij dezelfde cliënt verschillen. De volgende twee factoren zijn van invloed op de flexibiliteit:

  • de intensiteit van de ondersteuning
  • het proces van opbouwen en afbouwen.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De intensiteit van de ondersteuning
Soms is de ondersteuning op onderdelen altijd gelijk. Bv bij een cliënt die in een rolstoel zit. Die zal altijd ondersteuning nodig hebben bij opstaan, douchen en toiletbezoek. Op andere gebieden heeft deze cliënt misschien geen of alleen lichte ondersteuning nodig.

Je kunt bij de intensiteit van de ondersteuning onderscheid maken in:
Een activiteit of handeling helemaal van de cliënt overnemen.
Iets voordoen en vragen of de cliënt het nadoet.
De cliënt doet het zelfstandig, maar wel met de begeleider naast zich.
De cliënt doet het zonder nabijheid van de begeleider, maar die is wel snel bereikbaar bij problemen.
De cliënt kan het helemaal zelfstandig en heeft geen ondersteuning meer nodig.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toenemende intensiteit
  • Een activiteit of handeling helemaal van de cliënt overnemen.
  • Iets voordoen en vragen of de cliënt het nadoet.
  • Iets samen met de cliënt doen.
  • De cliënt doet het zelfstandig, maar wel met de begeleider naast zich.
  • De cliënt doet het zonder nabijheid van de begeleider, maar die is wel snel bereikbaar bij problemen.
  • De cliënt kan het helemaal zelfstandig en heeft geen ondersteuning meer nodig.
Afnemende intensiteit
Het omgekeerde gebeurt ook.

Bijvoorbeeld als de lichamelijke of geestelijke toestand van de cliënt verbetert. 
Dan kun je de intensiteit van de begeleiding langzaam terugschroeven. 
Dit moet je wel zorgvuldig doen en goed beoordelen wanneer en hoe je van vasthouden naar loslaten overgaat.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het proces van opbouwen en afbouwen
In verschillende situaties is het nodig om de begeleiding methodisch op te bouwen en weer (gedeeltelijk) af te bouwen. Dit methodisch op- en afbouwen leg je vast in het ondersteuningsplan.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opbouwen van de ondersteuning

Krijg je vooral te maken bij nieuwe cliënten.
 Bv: iemand vanuit de thuissituatie verhuist naar een begeleide of beschermde woonvorm. 
Belangrijke aspecten van opbouwen van de ondersteuning zijn:
  • een vertrouwensrelatie opbouwen
  • de beginsituatie vaststellen: welke ondersteuning is nodig, welke gebieden, welke mate ondersteuning. Een cliënt heeft zelden of nooit ondersteuning nodig op alle gebieden. 
Afbouwen van de ondersteuning

Als het mogelijk is om de ondersteuning helemaal of gedeeltelijk af te bouwen, doe je dat niet van de ene op de andere dag. Als een cliënt gewend is aan ondersteuning, biedt dat ook zekerheid en veiligheid. Je bouwt de ondersteuning in stappen af in deze volgorde:
samen met de cliënt een activiteit of handeling uitvoeren
de cliënt zelf de activiteit laten uitvoeren terwijl jij erbij bent
als dat goed gaat, langzaam meer afstand nemen, maar wel bereikbaar blijven.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld afbouwen
Meneer Helvoort is een man van 73 jaar die tot voor kort zelfstandig en zonder hulp thuis woonde. Na een hersenbloeding is hij na ziekenhuisopname overgeplaatst naar een revalidatieafdeling. Hij heeft aan de hersenbloeding een lichte motorische beperking overgehouden. Hij zou weer thuis kunnen gaan wonen, maar moet wel een aantal dingen leren:
  • leren lopen met een rollator
  • leren manoeuvreren met de rollator in kleine ruimtes in zijn thuissituatie
  • persoonlijke verzorging en bijvoorbeeld koken leren met gebruik van de rollator.
In het ondersteuningsplan staat dat dit doel voor meneer haalbaar moet zijn in een periode van acht weken. De ondersteuning begint intensief, vooral omdat meneer in het begin heel onzeker is en bang om te vallen. Naarmate het beter gaat, neemt de begeleider steeds wat meer afstand. Totdat de begeleider de ondersteuning helemaal kan loslaten en meneer klaar is om thuis zelfstandig te functioneren.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
  • Boek: Methodisch begeleiden
  • Hfd 7: Begeleiden en ondersteunen
  • Kopje: 4, Weten en begrijpen 
  • Opdr: 3 ,4,5
  • Kopje: 5. Analyseren en toepassen 
  • Opdr: 9

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afsluiting
Inleveren eindopdracht: vrijdag 18 april 2025

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies