In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Paragraaf 7.5
Slide 1 - Tekstslide
Deze periode (TW3)
Hoofdstuk 5: Erfelijkheid
Hoofdstuk 7: Evolutie
Slide 2 - Tekstslide
Deze periode (TW3)
Slide 3 - Tekstslide
Deze periode (TW3)
Slide 4 - Tekstslide
Slide 5 - Tekstslide
Welke eigenschappen van een plantencel ondersteunen de endosymbiose theorie/ (meerdere antwoorden mogelijk)
A
Bestaan mitochondriën en chloroplasten
B
Het hebben van een celwand
C
Dubbele membraan mitochondriën en chloroplasten
D
Het hebben van een vacuole
Slide 6 - Quizvraag
Wat zijn argumenten voor de endosymbiose theorie? (meerdere antwoorden mogelijk)
A
Mitochondriën en chloroplasten hebben eigen DNA
B
Mitochondriën en chloroplasten delen niet.
C
Mitochondriën en chloroplasten hebben bacterieel DNA
D
Mitochondriën en chloroplasten delen zoals bacteriën.
Slide 7 - Quizvraag
Aan welk dier is de neushoorn volgens deze stamboom het meest verwant?
A
kangoeroe
B
nijlpaard
C
ringelrob
D
zebra
Slide 8 - Quizvraag
Stamboom slangen. Welk soort is als eerste ontstaan?
A
1
B
2
C
3
D
7
Slide 9 - Quizvraag
Aan welke groep zijn de gorilla's het meest verwant volgens de stamboom?
A
aan de apen van de nieuwe wereld
B
aan de orang-oetans
C
aan de chimpansees
D
aan de gibbons
Slide 10 - Quizvraag
In de afbeelding zie je een stamboom die de afstamming van verschillende groepen gewervelde dieren weergeeft volgens de evolutietheorie. Welke stelling is juist?
A
Beenvissen zijn eerder ontstaan dan haaien en roggen
B
Beenvissen stammen af van zoogdieren
C
Reptielen zijn meer verwant aan vogels dan aan zoogdieren
D
Alle 3 de stellingen zijn onjuist
Slide 11 - Quizvraag
Leg in 3 stappen (VSR) uit waarom er na verloop van tijd meer bruine dan gele vlinders zijn.
Slide 12 - Open vraag
VSR
V = variatie
binnen de populatie zijn (genetische) verschillen tussen organismen
S = selectie
de organismen die het beste zijn aangepast aan de omstandigheden overleven
R = reproductie
de overlevers kunnen zich voortplanten en krijgen nakomelingen die ok de gunstige eigenschappen hebben
Slide 13 - Tekstslide
Leerdoelen 7.4
Slide 14 - Tekstslide
Leerdoelen 7.5
Slide 15 - Tekstslide
Rekenen met allelfrequenties
BiNaS 93D3
Voorwaarden:
-> populatie oneindig groot
-> geen seksuele selectie
-> geen mutaties
-> geen migratie
-> vrije partnerkeus
Slide 16 - Tekstslide
2 opdrachten
BiNaS 93D3
1
2
Slide 17 - Tekstslide
In werkelijkheid...
Slide 18 - Tekstslide
Genetic flow
Slide 19 - Tekstslide
Genetic drift
Slide 20 - Tekstslide
Founder effect
Slide 21 - Tekstslide
Flessenhalseffect (Bottle neck)
Slide 22 - Tekstslide
Wat is genetic drift?
A
Invloed van milieufactoren op de genetische variatie in een populatie
B
Organismen best aangepast aan hun omgeving geven genen door
C
Verschijnsel dat in kleine populaties door toeval grote verschuivingen in allel frequenties optreden
D
Het ontstaan van meerdere soorten door geografische scheiding
Slide 23 - Quizvraag
Nadat een groep herten een goed gedijende populatie heeft gevormd, migreren er een aantal naar een nieuwe habitat. Bepaalde erfelijke ziektes komen na een paar generaties vaker voor in deze nieuwe populaties. Hier is sprake van....
A
Genetic drift
B
Founder effect
C
Bottleneck effect
D
Gene flow
Slide 24 - Quizvraag
Wanneer zal genetic drift het duidelijkst zichtbaar zijn in een populatie?
A
als de populatie erg klein is
B
als er een sterke neiging is tot voorkeur bij de paring
C
als er weinig mutaties optreden
D
als het milieu sterk varieert
Slide 25 - Quizvraag
Als tussen twee eerder gescheiden populaties uitwisseling van genen plaatsvindt, noemen biologen dat:
A
het founder effect
B
soortsvorming
C
gene flow
D
allelfrequentie
Slide 26 - Quizvraag
Bij schapen komt een witte vacht tot stand onder invloed van het dominante allel H en een zwarte vacht door het recessieve allel h. In een kudde schapen hebben er 891 een witte en 9 een zwarte vacht.
Op deze populatie is de regel van Hardy-Weinberg van toepassing.
Bereken de frequentie van het allel H.
A
0,01
B
0,99
C
0,1
D
0,9
Slide 27 - Quizvraag
Het vlekkenpatroon van de vacht bij cavia's wordt bepaald door één gen met de allelen G en g. Bij aanwezigheid van G is de cavia gevlekt. Aangenomen wordt dat 85% van de cavia's gevlekt is. De populatie is in Hardy-Weinberg evenwicht. Hoe groot is de frequentie van het allel G?
A
0,15
B
0,39
C
0,61
D
0,85
Slide 28 - Quizvraag
Het vlekkenpatroon van de vacht bij cavia's wordt bepaald door één gen met de allelen G en g. Bij aanwezigheid van G is de cavia gevlekt. Aangenomen wordt dat 85% van de cavia's gevlekt is. De populatie is in Hardy-Weinberg evenwicht. Welk percentage gevlekte cavia's is heterozygoot?