A2 5.14 De toekomstige tijd

TaalCompleet A2
5.14 Ik ga koken -
Ik kook morgen

De toekomst
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

TaalCompleet A2
5.14 Ik ga koken -
Ik kook morgen

De toekomst

Slide 1 - Tekstslide

Wat ga je deze week doen?

Slide 2 - Tekstslide

Aan het eind van de les:
• kun je zinnen in de toekomst schrijven

Slide 3 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik kook morgen een pan soep.
Hij vertrekt volgende week naar Italië.
Wij willen straks wat eten.

Slide 4 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik kook morgen een pan soep.
Hij vertrekt volgende week naar Italië.
Wij willen straks wat eten.

Slide 5 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik zal naar de supermarkt lopen.
Hij zal naar België gaan.
Wij zullen samen eten.

Slide 6 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik zal naar de supermarkt lopen.
Hij zal naar België gaan.
Wij zullen samen eten.

Slide 7 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik ga soep koken.
Hij gaat zwemmen.
Wij gaan samen iets drinken.

Slide 8 - Tekstslide

Hoe weet je dat deze zinnen over de toekomst gaan?

Ik ga soep koken.
Hij gaat zwemmen.
Wij gaan samen iets drinken.

Slide 9 - Tekstslide

Gaat de zin over

vroeger, nu of de toekomst?

Slide 10 - Tekstslide

We hebben dinsdag een afspraak met de tandarts.
A
vroeger
B
nu
C
de toekomst

Slide 11 - Quizvraag

Ik was heel ziek.
A
vroeger
B
nu
C
de toekomst

Slide 12 - Quizvraag

Ik ben weer beter.
A
vroeger
B
nu
C
de toekomst

Slide 13 - Quizvraag

Ik ga fietsen.
A
vroeger
B
nu
C
de toekomst

Slide 14 - Quizvraag

Video 5.14
https://leren.kleurrijker.nl/mod/quiz/attempt.php?attempt=117859788&cmid=9602

Slide 15 - Tekstslide

Ik eet gisteren pasta.
A
goed
B
fout

Slide 16 - Quizvraag

Ik ga soep kook.
A
goed
B
fout

Slide 17 - Quizvraag

Ik ga morgen boodschappen doen.
A
goed
B
fout

Slide 18 - Quizvraag

Mijn oma viert volgende maand haar verjaardag.
A
goed
B
fout

Slide 19 - Quizvraag

Hij ga TV kijken
A
goed
B
fout

Slide 20 - Quizvraag

De man is gaat naar huis.
A
goed
B
fout

Slide 21 - Quizvraag

Morgen kookte ik pasta.
A
goed
B
fout

Slide 22 - Quizvraag

Zaterdag gaan we zwemmen.
A
goed
B
fout

Slide 23 - Quizvraag

Gisteren gekocht hij een bril.
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quizvraag

Maak een zin in de toekomstige tijd Gebruik het woord: winkelen

Slide 25 - Open vraag

Maak een zin in de toekomstige tijd met het woord: winnen

Slide 26 - Open vraag

Maak een zin in de toekomstige tijd met het woord: schilderij

Slide 27 - Open vraag

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 28 - Open vraag