Tegenstellingen

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
MentorsPrimary EducationAge 10

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Verharde weg

Slide 2 - Open vraag

Tegenstellingen

Slide 3 - Tekstslide

Tegenstelling
Woorden die elkaars tegenovergestelde zijn, noem je een tegenstelling.

Signaalwoorden als:
 echter, toch, maar, daarentegen en hoewel
helpen om een tegenstelling te vinden in de zin.

Slide 4 - Tekstslide


Slide 5 - Open vraag

timer
1:00
Schrijf jij nu 1
tegenstelling

Slide 6 - Woordweb

kies het juiste antwoord
Welke tegenstellingen zijn juist gebruikt
hoog- donker
zwaar- licht
arm- rijk
open- dom
vers- oud
rauw- dicht

Slide 7 - Poll

Hast du das Lernziel errreicht?
Ik heb ook de sterrenopdrachten kunnen maken!


😒🙁😐🙂😃

Slide 8 - Poll

Exit poll
Vorige les ging over tegenstellingen.
Ik weet nu wat tegenstellingen zijn!
😒🙁😐🙂😃

Slide 9 - Poll

Plaats een foto van de onderstaande tegenstelling: donker

Slide 10 - Open vraag

4. Welke woorden zijn tegenstellingen?
A
Water en vuur
B
Strafwerk en nablijven
C
Grootvader en Overgrootvader
D
Eten en voedsel

Slide 11 - Quizvraag

Sleep de woorden naar de juiste tegenstelling
blij
maan
bewoond
zwaar
Zelfverzekerd

Slide 12 - Sleepvraag

Plaats een foto van de onderstaande tegenstelling: verharde weg

Slide 13 - Open vraag

Plaats een foto van de onderstaande tegenstelling: breed

Slide 14 - Open vraag

Plaats een foto van de onderstaande tegenstelling: lang

Slide 15 - Open vraag

Plaats een foto van de onderstaande tegenstelling: jong

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide

' savonds en 'smorgens 

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Sleepvraag

Wat zijn tegenstellingen?
Tegenstellingen zijn woorden die elkaars betekenis tegengesteld zijn, zoals groot-klein, nat-droog, en snel-langzaam.

Slide 21 - Tekstslide

Wat is de tegenstelling?
Vul het juiste tegenovergestelde woord in.

1.De hond is groot, maar de kat is _______. (klein)
2.De zon schijnt, maar de _______ valt. (regen)
3.Het meisje praat hard, maar de jongen praat _______. (zacht)
4.De schildpad loopt langzaam, maar de haas loopt _______. (snel)
5.De tas is zwaar, maar de rugzak is _______. (licht)

Slide 22 - Tekstslide

Oefening 2
Maak een zin met het tegenstellingenpaar: Zwaar - Licht

Slide 23 - Tekstslide

Zelf proberen
welke tegenstellingen horen bij elkaar?
hoog           goedkoop
duur            zwaar
licht            laag

Slide 24 - Tekstslide