Wat is de tegenstelling?
Vul het juiste tegenovergestelde woord in.
1.De hond is groot, maar de kat is _______. (klein)
2.De zon schijnt, maar de _______ valt. (regen)
3.Het meisje praat hard, maar de jongen praat _______. (zacht)
4.De schildpad loopt langzaam, maar de haas loopt _______. (snel)
5.De tas is zwaar, maar de rugzak is _______. (licht)