H5 Examentrainer Thema 1

Examentrainer
Thema 1
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Examentrainer
Thema 1

Slide 1 - Tekstslide


Opdracht 2: Herfstrood
1 De kleur geel ontstaat doordat chlorofyl wordt geassimileerd.
2 De kleur geel ontstaat doordat chlorofyl wordt gedissimileerd.
3 De kleur rood ontstaat doordat anthocyaan wordt geassimileerd.
4 De kleur rood ontstaat doordat anthocyaan wordt gedissimileerd.
Welke van deze beweringen zijn juist?
A
alleen 1 en 3
B
alleen 1 en 4
C
alleen 2 en 3
D
alleen 2 en 4

Slide 2 - Quizvraag

Een loofbos kan in de herfst dieprood kleuren. Het is duidelijk waardoor bladeren geel worden: het bladgroen wordt afgebroken waarbij gele kleurstoffen ontstaan. Het rode pigment anthocyaan maakt de boom in de herfst speciaal aan. En dat is vreemd, want even later dwarrelen diezelfde bladeren met de herfstwind weg. Sommige biologen menen dat bomen waarvan de bladeren rood kleuren, onaantrekkelijk worden voor bladluizen. Die insecten leggen in de herfst hun eitjes in de bladoksels van bomen. In de lente komen daaruit nieuwe luizen tevoorschijn die schadelijk zijn voor de boom, zeker aan het begin van het groeiseizoen. Andere biologen bestrijden deze theorie. De ogen van bladluizen hebben volgens hen geen fotoreceptoren voor de kleur rood, dus volgens hen ziet een bladluis het verschil tussen een rood en een groen blad niet. Volgens deze biologen is de productie van anthocyaan in bladeren een reactie op stress. Britse biologen hebben de kleurvoorkeur van bladluizen in de herfst in kaart gebracht. Dat deden ze door een aantal vallen in verschillende kleuren te verven en buiten neer te zetten. In totaal vingen ze in twee weken 2109 bladluizen. De resultaten van het onderzoek staan in afbeelding 1. Uit het resultaat blijkt dat bladluizen wel degelijk het verschil tussen rood en groen kunnen waarnemen.

Slide 3 - Tekstslide


Opdracht 2. In de tekst staan zowel hypothesen, resultaten als conclusies.
Geef een voorbeeld van een hypothese uit de tekst.

Slide 4 - Open vraag

Een loofbos kan in de herfst dieprood kleuren. Het is duidelijk waardoor bladeren geel worden: het bladgroen wordt afgebroken waarbij gele kleurstoffen ontstaan. Het rode pigment anthocyaan maakt de boom in de herfst speciaal aan. En dat is vreemd, want even later dwarrelen diezelfde bladeren met de herfstwind weg. Sommige biologen menen dat bomen waarvan de bladeren rood kleuren, onaantrekkelijk worden voor bladluizen. Die insecten leggen in de herfst hun eitjes in de bladoksels van bomen. In de lente komen daaruit nieuwe luizen tevoorschijn die schadelijk zijn voor de boom, zeker aan het begin van het groeiseizoen. Andere biologen bestrijden deze theorie. De ogen van bladluizen hebben volgens hen geen fotoreceptoren voor de kleur rood, dus volgens hen ziet een bladluis het verschil tussen een rood en een groen blad niet. Volgens deze biologen is de productie van anthocyaan in bladeren een reactie op stress. Britse biologen hebben de kleurvoorkeur van bladluizen in de herfst in kaart gebracht. Dat deden ze door een aantal vallen in verschillende kleuren te verven en buiten neer te zetten. In totaal vingen ze in twee weken 2109 bladluizen. De resultaten van het onderzoek staan in afbeelding 1. Uit het resultaat blijkt dat bladluizen wel degelijk het verschil tussen rood en groen kunnen waarnemen.

Slide 5 - Tekstslide


Opdracht 3: Leg uit, aan de hand van de informatie uit de tekst, dat in de loop van de evolutie steeds meer boomsoorten anthocyaan zijn gaan produceren.

Slide 6 - Open vraag

Uit het antwoord moet blijken dat:
• bomen met rode bladeren minder worden bezocht door bladluizen dan bomen met andere kleur bladeren (V)
• minder bladluizen betere groei geeft (S)
• bomen met rode bladeren daardoor een selectievoordeel hebben/zich meer voortplanten (R)

V: variatie
S: selectie
R: reproductie

Slide 7 - Tekstslide


Opdracht 4: Planten hebben twee typen vaten om stoffen door wortel, stengel en bladeren te vervoeren: hout- en bastvaten.
Welk van deze typen vaten boren bladluizen aan om aan energierijke stoffen te komen? Zijn dit dan anorganische of organische stoffen?
A
bastvaten, anorganisch
B
bastvaten, organisch
C
houtvaten, anorganisch
D
houtvaten, organisch

Slide 8 - Quizvraag

5. Bloemen en bijtjes
Bron: examen havo 2013-2, vraag 10 tot en met 14.

Veel planten hebben bijen nodig om stuifmeel van de ene naar de andere bloem te brengen. Maar daar gaat het bijen niet om. Bijen bezoeken bloemen niet om stuifmeel van de ene bloem naar de andere te brengen, maar om voedsel te verzamelen. De koolhydraten, aminozuren, vitaminen en sporenelementen die een bij nodig heeft, worden door de bloem geleverd in de vorm van nectar en stuifmeel. Bijen zijn afhankelijk van bloemen om te kunnen overleven.

Hoe wordt de symbiotische relatie tussen bijen en planten genoemd?

Slide 9 - Tekstslide


Opdracht 5: 
Hoe wordt de symbiotische relatie tussen bijen en planten genoemd?
A
Commensalisme
B
Coöperatie
C
Mutualisme
D
Parasitisme

Slide 10 - Quizvraag

Opdracht 6 

Stuifmeel is rijk aan eiwitten, vetten en suikers. Nectar bestaat uit water en glucose. Bijen bewerken nectar tot lang houdbare glucoserijke honing. Onbewerkt stuifmeel zou in een bijenkast meteen beschimmelen. Bijen maken er daarom ‘bijenbrood’ van: lang houdbare stuifmeelbrokken verpakt in een laagje honing.

Welke stof of welke stoffen heeft een plant nodig om nectar te maken?

Slide 11 - Tekstslide

Sleep de stof naar het juiste vak
Niet nodig
Wel nodig
CO
H2O
NO3

Slide 12 - Sleepvraag

Opdracht 6 

Stuifmeel is rijk aan eiwitten, vetten en suikers. Nectar bestaat uit water en glucose. Bijen bewerken nectar tot lang houdbare glucoserijke honing. Onbewerkt stuifmeel zou in een bijenkast meteen beschimmelen. Bijen maken er daarom ‘bijenbrood’ van: lang houdbare stuifmeelbrokken verpakt in een laagje honing.

Welke stof of welke stoffen heeft een plant nodig om nectar te maken?

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht 7

In planten kunnen de volgende processen voorkomen:
1 koolstofassimilatie;
2 stikstofassimilatie;
3 eiwitsynthese;
4 gisting.

Welke processen vinden in een plant plaats om de vorming van stuifmeel mogelijk te maken?

Slide 14 - Tekstslide

Sleep de stof naar het juiste vak
Vindt niet plaats
Vindt plaats
1. koolstofassimilatie
2. stikstofassimilatie
3. eiwitsynthese
4. gisting

Slide 15 - Sleepvraag


Opdracht 8: Bijenbrood maakt het stuifmeel langer houdbaar doordat het honinglaagje schimmelsporen verhindert uit te groeien tot schimmeldraden. Bij het conserveren van jam doen wij eigenlijk hetzelfde door suiker aan de vruchten toe te voegen. Leg uit waardoor het laagje honing om de stuifmeelbrokken verhindert dat er schimmel groeit.

Slide 16 - Open vraag

Opdracht 8

Uit het antwoord moet blijken dat:
• het honinglaagje een hoge concentratie suiker bevat / een hoge osmotische waarde heeft
• hierdoor vocht wordt onttrokken aan schimmelsporen/draden, waardoor deze uitdrogen (en de schimmel niet kan groeien)

Slide 17 - Tekstslide


Opdracht 9: 
Leg uit waardoor dit voor de plant meer voortplantingskansen biedt.

Slide 18 - Open vraag


Opdracht 10: 
Leg uit waardoor het gebruik van fossiele brandstof wel bijdraagt aan een versterkt broeikaseffect en het gebruik van bio-ethanol uit kerstbomen niet.



Slide 19 - Open vraag

Opdracht 10
Voorbeelden van juiste antwoorden zijn:
– Het gebruik van fossiele brandstof zorgt voor een toename van CO2 in de atmosfeer en levert dus een bijdrage aan het versterkte broeikaseffect; het gebruik van bio-ethanol niet.
– Het CO2 dat bij het gebruik van bio-ethanol vrijkomt, is kort daarvoor door de kerstbomen uit de atmosfeer gehaald, waardoor het CO2-gehalte van de atmosfeer niet zal stijgen en er dus geen versterkt broeikaseffect is, terwijl dat bij het gebruik van fossiele brandstof wel zo is.
– Kerstbomen zouden anders door verbranding of afbraak door micro-organismen ook worden omgezet in koolstofdioxide. Er ontstaat door verbranding van bio-ethanol dus niet meer koolstofdioxide dan als de kerstbomen niet zouden worden gebruikt. Zo is er dus geen bijdrage aan het versterkte broeikaseffect en bij gebruik van fossiele brandstof wel.
Het antwoord bevat de volgende elementen:
• er wordt duidelijk aangegeven dat er bij fossiele brandstof koolstof aan de C-kringloop wordt toegevoegd en bij kerstbomen niet
• toename van het CO2-gehalte leidt tot versterking van het broeikaseffect

Slide 20 - Tekstslide


Opdracht 11: 
Waardoor komt er steeds meer weerstand om voedingsgewassen om te zetten in bio-ethanol die als autobrandstof wordt gebruikt?





Slide 21 - Open vraag

Opdracht 12: 
Om de koolhydraten om te zetten in ethanol, wordt gebruikgemaakt van gistcellen. Er is een groot verschil tussen de gistsoort die koolhydraten uit voedingsmiddelen omzet in ethanol en de gistsoort die houtafval gebruikt. Het is een Nederlandse firma gelukt om nieuwe gistvarianten te maken waardoor uit houtafval ethanol kan worden geproduceerd. Hiervoor moeten de gistcellen cellulose als substraat gebruiken. 

Wat heeft men aan de bestaande gistcellen veranderd om dit mogelijk te maken?


Slide 22 - Tekstslide


Opdracht 12: 
Wat heeft men aan de bestaande gistcellen veranderd om dit mogelijk te maken?
A
enzymen
B
genetische informatie
C
ribosomen
D
celmembraan

Slide 23 - Quizvraag