a1-b1 thema 7 taak3

Thema 7 taak 2

Zit je ook op Facebook?


-lezen
-schrijven
-spreken
-grammatica



1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 38 slides, met tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Thema 7 taak 2

Zit je ook op Facebook?


-lezen
-schrijven
-spreken
-grammatica



Slide 1 - Tekstslide

a1-b1 thema 7 taak3
Voorkennis activeren

Kijk naar de titel van de tekst, wat is het onderwerp?
Wie gebruikt sociale media?
Welke sociale media zijn populair?
Waarvoor gebruiken ze het? 
Kunnen jullie ook kort de voor- en nadelen van sociale media bespreken?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Slide 4 - Video

Lees de tekst en beantwoord de vragen!

1.Wat is de belangrijkste reden waarom jongeren minder vaak op Facebook zitten?
2.Waarom is Facebook populair geworden onder mensen boven de tachtig?
3.Wat doen ouderen voornamelijk op Facebook, en wat doen ze  niet vaak?
4.Waarom wantrouwen sommige ouderen sociale media zoals Facebook?
5.Wat zijn de verschillen in gebruik van Facebook tussen jongeren en ouderen?

Slide 5 - Tekstslide

Maak nu opdracht 2, 3 en 4


Grammatica 8.1,8.2

Maak nu opdracht 5 

Ben je klaar? Maak dan opdracht 6

Huiswerk : maak de opdrachten van thema 7 taak 3 op de computer.

Slide 6 - Tekstslide

de tafel is groot        het huis is groot  de tafels zijn groot
hij is groot                   het is groot            de huizen zijn groot
die is groot              dat is groot                          ze zijn groot 
                                                                              die zijn groot

ik koop de tafel      ik koop het huis      ik koop de tafels
ik koop hem           ik koop het               ik koop ze
                                                                

Slide 7 - Tekstslide

Thema 7 taak 3

Ik wil graag reageren op uw 
mail.

-lezen
-schrijven
-spreken
-grammatica



Slide 8 - Tekstslide

1. Dragen Nederlanders vaak officiële, nette kleding op hun werk? Kunnen jullie voorbeelden bedenken van beroepen waarbij mensen herkenbare werkkleding dragen? Denk bijvoorbeeld aan vuilnismannen, bouwvakkers, buschauffeurs. 

2.Hoe is dat in het land waar zij vandaan komen? Dragen mensen daar vaker of juist minder vaak herkenbare, werkkleding? Om welke beroepen gaat het dan? Denk bijvoorbeeld ook aan leraren, medewerkers van een restaurant of café.

3.Wat vinden jullie van werkkleding? Welke kleding kun je wel en niet aan naar je werk? Is alle kleding geschikt om in te werken?

4. Dragen jullie verplicht werkkleding? Of mogen jullie zelf kiezen wat jullie dragen? 

5.Wat is jullie mening over verplichte werkkleding? Is het makkelijk? Of dragen jullie liever jullie eigen kleding?

mee/vallen             het valt mee
tegen/vallen.         het valt tegen
 




Slide 9 - Tekstslide

Lees de tekst.
Maak opdracht 2.

Maak nu opdracht opdrachten 3 ,4 en 5

Grammatica

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Link

Slide 12 - Link

Slide 13 - Link

Maak opdracht 6 en 7.

Ben je klaar ? maak dan opdracht 8


Huiswerk :Maak de opdrachten van thema 7 taak 4 op de computer & grammaticaopdracht 11.1,11.2&11.3

Slide 14 - Tekstslide

De rode auto rijdt het snelst(e).

De rode auto is de snelste auto in het land.

Slide 15 - Tekstslide

Thema 8 taak 4

Fan van de koningin Maxima
- opdracht met fouten
-lezen
-spreken
-schrijven
-grammatica



Slide 16 - Tekstslide

Vind de fouten in de zinnen!

1.Ik vind dat de koning moet weggaan/ weg moet
2.Ik vind dat de koning  door het volk  gekozen moet worden
Ik vind dat het volk de koning moet kiezen.
3.Morgen ga ik met mijn vriend naar de bioscoop.
4.Mijn moeder werkt in een ziekenhuis en zorgt voor patiënten.
5.Als het mooi weer is, ( dan) gaan we naar het strand.
6.Ik heb een nieuwe telefoon gekocht, maar ik weet niet hoe hij /die werkt.
7.Vorige week hebben we een leuk feestje gehad bij Anna thuis.
8.De kinderen spelen in het park, terwijl hun ouders  op de bank zitten .
dat-zinnen = ik denk dat , ik geloof dat, ik ben van mening dat

ik weet niet wanneer Peter vandaag komt
ik weet niet hoe laat de trein naar Amsterdam vertrekt.

Slide 17 - Tekstslide

Passief (worden + participium)

Presens                                   Mijn kinderen hebben me gebeld
Het kind koopt het boek       ik ben door mijn kinderen gebeld
Het boek wordt door het kind gekocht
Imperfectum
Het kind kocht het boek
Het boek werd door het kind gekocht
Perfectum
Het kind heeft het boek gekocht
Het boek is door het kind gekocht

zullen/moeten/mogen/kunnen
Het kind moet het boek kopen
Het boek moet door het kind gekocht worden


Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Link

Slide 20 - Link

Lees de tekst.

1.Wat vertelt Shati over de koning en de koningin?
2.Welke argumenten worden tegen het koningshuis genoemd?
3.Welke argumenten worden voor het koningshuis genoemd?

Slide 21 - Tekstslide

Maak nu opdracht 2 en 3.We gaan samen de opdracht bespreken.

Maak nu opdracht 4 

Grammatica herhalen

Maak nu opdracht 5 en 6.

Huiswerk : maak de opdrachten bij thema 9 taak 1 op de computer


Slide 22 - Tekstslide

Thema 9 taak 2

onderweg

-lezen
-spreken
-schrijven
-grammatica



Slide 23 - Tekstslide


1. Wat voor soort tekst dit is?
2.Wat is jullie eigen ervaringen met het openbaar vervoer? Welk vervoermiddel gebruiken jullie?
3. Hebben jullie wel eens problemen? Welke problemen zijn dat? 
4.Wat vinden jullie van het openbaar vervoer in Nederland? Vinden jullie dat het goed werkt of niet? En wat vinden jullie van de prijzen?
 

Slide 24 - Tekstslide

Maak nu opdracht 2.Die gaan we samen bespreken.

Maak dan opdracht 3 en 4.

Grammatica  : Reflexieve Werkwoorden (Passief /herhaling)

Maak opdracht 5
Huiswerk : maak de opdrachten bij thema 9 taak 3 op de computer & grammaticaopdrachten 2.11 & 2.29

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Link

Slide 27 - Link

Slide 28 - Link

Thema 9 taak 4

Dan ben ik op vakantie

-lezen
-schrijven
-spreken
-grammatica (herhalen)



Slide 29 - Tekstslide


1. Wat betekent vakantie voor jou?
2.Wat is jouw ideale vakantiebestemming en waarom?
3.Welke soorten vakanties ken je?
4. Wat neem je mee op vakantie?
5. Wat zijn populaire vakantiebestemmingen?
6. Heb je liever een actieve of een ontspannende vakantie? Waarom?
7.Vertel een leuke ervaring van je laatste vakantie.

Slide 30 - Tekstslide

Luister en dan lees de tekst.

Maak opdracht 2 .Die bespreken we samen.

Maak dan opdracht 3 en 4.

Maak opdracht 5 en 6.

Grammatica
Maak opdracht 7

Huiswerk : maak de opdrachten bij thema 10 taak 1

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Passief (worden + participium)

Presens                                   Mijn kinderen hebben me gebeld
Het kind koopt het boek       ik ben door mijn kinderen gebeld
Het boek wordt door het kind gekocht
Imperfectum
Het kind kocht het boek
Het boek werd door het kind gekocht
Perfectum
Het kind heeft het boek gekocht
Het boek is door het kind gekocht

zullen/moeten/mogen/kunnen
Het kind moet het boek kopen
Het boek moet door het kind gekocht worden


Slide 33 - Tekstslide

Thema 10 taak 2

Hulp bij een klein ongeval

-passief herhalen
-lezen
-schrijven
-spreken
-grammatica (herhalen)



Slide 34 - Tekstslide

Passief (worden + participium)

Presens                                   Mijn kinderen hebben me gebeld
Het kind koopt het boek       ik ben door mijn kinderen gebeld
Het boek wordt door het kind gekocht
Imperfectum
Het kind kocht het boek
Het boek werd door het kind gekocht
Perfectum
Het kind heeft het boek gekocht
Het boek is door het kind gekocht

zullen/moeten/mogen/kunnen
Het kind moet het boek kopen
Het boek moet door het kind gekocht worden


Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Link

Lees de tekst !


Maak opdracht 2.Die gaan we samen bespreken.

Maak dan opdracht 3 en 4.

Grammatica(werkwoorden met vaste preposities)

Maak dan opdracht 5.

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Link