paragraaf 4 vermogen en energie

Hoofdstuk 4: Elektriciteit
Introductie
§ 4.1 Een stroomkring maken
§ 4.2 Spanningsbronnen
§ 4.3 Schakelingen
§ 4.4 Vermogen en energie
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4: Elektriciteit
Introductie
§ 4.1 Een stroomkring maken
§ 4.2 Spanningsbronnen
§ 4.3 Schakelingen
§ 4.4 Vermogen en energie

Slide 1 - Tekstslide

Leer deze afkortingen zo snel mogelijk uit je hoofd!
 Je mag nu nog op deze pagina "spieken"

Slide 2 - Tekstslide

Leer deze afkortingen zo snel mogelijk uit je hoofd!
 Je mag nu nog op deze pagina "spieken"

Slide 3 - Tekstslide

Leer deze afkortingen zo snel mogelijk uit je hoofd!
 Je mag nu nog op deze pagina "spieken"

Slide 4 - Tekstslide

Formuleblad

Slide 5 - Tekstslide

type plaatje
Op welke spanning moet de Kärcher worden aangesloten?

Hoe groot is het opgenomen vermogen van de Kärcher?

Waarom kan men het energieverbruik van de Kärcher niet op het type plaatje zetten?

Slide 6 - Tekstslide

type plaatje
Op welke spanning moet de Kärcher worden aangesloten? 

spanning meet je in volt, dus 230V

Hoe groot is het opgenomen vermogen van de Kärcher? 
vermogen meet je in Watt, dus 3,6 kilowatt

Waarom kan men het energieverbruik van de Kärcher niet op het type plaatje zetten?

de formule luidt: E = P x t en t staat voor tijd, je weet niet hoe lang dit apparaat gebruikt is.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

formule

P = U x I     ( U = P / I    of   I = P / U )

U = spanning in volt (V)
I = stroomsterkte  in ampere (A)
P = vermogen in watt (W)


Slide 9 - Tekstslide

het vermogen zegt iets over hoeveel energie een apparaat per seconde gebruikt. Als een apparaat dus een groot vermogen (veel watt) verbruikt, dan is dit een energie slurper en dus slecht voor milieu en portemonnee. Als je kunt kiezen kies dan altijd een apparaat met een zo laag mogelijk vermogen!

P = groot aantal Watt = duur en slecht voor milieu
P = laag aantal Watt = goedkoper en beter voor milieu

Slide 10 - Tekstslide

Juist/onjuist:
Apparaten met een klein vermogen zijn energiezuiniger dan apparaten met een groot vermogen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

formule

E = P x t     ( P = E / t   en   t = E / P )

E = energie in kilowattuur (kWh)
P = vermogen in kilowatt (kW)
t = tijd in uur (h)


Slide 13 - Tekstslide

kWh       =                   kW       X      h

Slide 14 - Tekstslide

voorbeeldsom vermogen
Pim heeft een koelkast gekocht met een standby vermogen van 46W. 
De koelkast werkt op spanning die geleverd wordt door het stopcontact (230V). 
Hoe groot is de stroomsterkte die door dit apparaat heen loopt?

A.) noteer de letter waarmee vermogen wordt afgekort. zoek dit eventueel op de eerste dia even op. noteer hier de waarde achter die in de som staat gegeven voor het vermogen.
B.) noteer de letter waarmee spanning wordt afgekort. zoek dit eventueel op de eerste dia even op. niteer hier de waarde achter die in de som staat gegeven voor de spanning.
C.) noteer de letter waarmee stroomsterkte wordt afgekort. zoek dit eventueel even op de eerste dia op.
D.) noteer de formule waarin alle drie deze letters voorkomen. zoek eventueel op de groene dia's beide formules even op en kies de juiste waarin de letter die je bij vraag C.) hebt genoteerd vooraan staat!
E.) schrijf onder de formule die je bij D.) hebt genoteerd onder de juiste letter de juiste getallen zie vraag A.) en B.)
F.) reken de stroomsterkte uit. probeer de ontbrekende letter uit te rekenen.

Slide 15 - Tekstslide

Vul hier je antwoorden in (Foto of in Tekst)

Slide 16 - Open vraag

voorbeeldsom vermogen
Pim heeft een koelkast gekocht met een standby vermogen van 46W. De koelkast werkt op spanning die geleverd wordt door het stopcontact (230V). Hoe groot is de stroomsterkte die door dit apparaat heen loopt?

A.) P = 46W
B.) U = 230V
C.) I = ? A.
D.) I = P / U
        E.)  I = 46 / 230
F.) I = 46 / 230 = 0,2A

Slide 17 - Tekstslide

Vanaf hier huiswerk!

Slide 18 - Tekstslide

Hoeveel seconden zitten er in 1 minuut?
A
30
B
60
C
90
D
120

Slide 19 - Quizvraag

omrekenen tijden
     :60 ---->
seconden                   minuten
    <---- x60

     :60 ---->
minuten                        uren
       <---- x60

Slide 20 - Tekstslide

omrekenen vermogen
     :1000 ---->
      watt                                 kilowatt
        <---- x1000

    

Slide 21 - Tekstslide

Hoeveel weken zitten er in een jaar?
A
12
B
40
C
52
D
365

Slide 22 - Quizvraag

algemeen
1 jaar = 365 dagen
1 jaar = 12 maanden
1 jaar = 52 weken

Slide 23 - Tekstslide

voorbeeldsom Energie
Kim heeft een wasmachine met een vermogen van 580W. Kim wast per week gemiddeld 6wassen. 1 wasje duurt 1 uur en 13 minuten. Bereken de Energie in kilowattuur (kWh) die Kim per jaar verbruikt door te wassen.

A.) noteer de letter waarmee vermogen wordt afgekort. zoek dit eventueel op de eerste dia even op. noteer hier de waarde achter die in de som staat gegeven voor het vermogen.
B.) reken het vermogen om naar kilowatt. zoek op de groene dia's op hoe dat moet.
C.) noteer de letter waarmee tijd  wordt afgekort. zoek dit eventueel even op de eerste dia op. noteer de waarde voor de tijd die in de som staat gegeven. en noteer de waarde voor de tijd die gegeven is in de som.
D.) reken de tijd om in uren. zoek op de groene dia's op hoe dat moet.
E.) noteer de letter waarmee Energie wordt afgekort. zoek eventueel op de eerste dia op.
F.) Noteer de formule waarmee je E uit kunt rekenen.
G.) Vul de formule in en reken E uit per week.
H.) Reken nu uit hoeveel energie Kim per jaar verbruikt. zoek eventueel op hoeveel weken er in 1 jaar zitten. zie groene dia's.

Slide 24 - Tekstslide

voorbeeldsom Energie
Kim heeft een wasmachine met een vermogen van 580W. Kim wast per week gemiddeld 6wassen. 1 wasje duurt 1 uur en 13 minuten. Bereken de Energie in kilowattuur (kWh) die Kim per jaar verbruikt door te wassen.
A.) P = 580W
B.) P = 0,58kW
C.) t = 1 uur en 13 minuten
D.) t = 1 uur ( = 60 minuten ) +  13 minuten = 73 minuten = 73/60 uur = 1,216... 1,22h
E.) E = ? kWh

P = 0,58 kW
t = 1,22h

F.) E = P x t
G.) E = 0,58 x 1,22 = 0,70566... kWh per week
H.) 0,70566... x 52 weken = 36,694.... kWh = ongeveer 36,7 kWh

Slide 25 - Tekstslide

Een oven werkt op netspanning (230V). De stroomsterkte door de oven is 8,5A. Bereken het vermogen van de oven in Watt. Noteer alleen het getal, geen eenheid. Rond indien nodig af op een heel getal!

TIP gebruik een kladblaadje. Noteer de juiste letters voor spanning, stroomsterkte en vermogen. Noteer de twee gegevens uit de som achter de juiste letter. Noteer de formule waarin alle drie de letters voorkomen. Zorg dat de onbekende letter vooraan staat. Vul dan de formule in.

Slide 26 - Open vraag

Upload hier een foto van je berekeningen van de vorige vraag

Slide 27 - Open vraag

Hoe groot is de stroomsterkte door de zanussi in ampère? Tip: gebruik een kladblaadje. Noteer eerst de juiste letters en gegevens —>zoek de spanning en het vermogen op in het type plaatje. Gebruik een formule om de stroom uit te rekenen. Afronden op 1 decimaal. Geen eenheid noteren.

Slide 28 - Open vraag

Upload hier een foto van je berekeningen van de vorige vraag

Slide 29 - Open vraag

Een frituurpan werkt op een spanning van 230V. De stroom door de frituurpan is 4,6A. Bereken het vermogen van de frituurpan In watt. Alleen het antwoord invullen geen eenheid!

Schrijf je berekeningen op een kladblaadje.

Slide 30 - Open vraag

Upload hier een foto van je berekeningen van de vorige vraag

Slide 31 - Open vraag

Upload hier een foto van je berekeningen van de vorige vraag

Slide 32 - Open vraag

Een televisie staat het grootste deel van de dag (18 uur) op stand-by en verbruikt dan 0,2W. Bereken het energieverbruik in kWh van de TV per jaar voor alleen het stand-by staan. Rond af op 1 decimaal. Alleen het getal noteren, geen eenheid! Schrijf je berekeningen op een kladblaadje!

Slide 33 - Open vraag

Als je nog vragen, opmerkingen of suggesties hebt, dan kun je deze Ier onder kwijt.

Slide 34 - Open vraag

Vermogen kort je af met de letter....
A
V
B
W
C
U
D
P

Slide 35 - Quizvraag

Stroomsterkte kort je af met de letter....
A
U
B
I
C
S
D
A

Slide 36 - Quizvraag

Spanning meet je in volt, volt kort je af met de letter........
A
U
B
V
C
A
D
S

Slide 37 - Quizvraag

Stroomsterkte meet je in.....
A
Volt
B
Ohm
C
Watt
D
Ampere

Slide 38 - Quizvraag

Wat is de spanning waarop men dit apparaat moet aansluiten?
A
230V
B
50Hz
C
2200W
D
10A

Slide 39 - Quizvraag

Wat is het vermogen van dit apparaat?
A
230V
B
50Hz
C
2200W
D
10A

Slide 40 - Quizvraag

Welke stroomsterkte gaat er door dit apparaat?
A
230V
B
7,1A
C
1,5kW
D
4600GPH

Slide 41 - Quizvraag

Wat is het vermogen van dit apparaat?
A
230V
B
7,1A
C
1,5kW
D
4600GPH

Slide 42 - Quizvraag

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

In nieuwe huizen zitten zekeringen van 16A op een groep. Femke zet de volgende apparaten tegelijk aan: 4 gloeilampen (40W per stuk), oven (1500W), frituurpan (900W) en wasmachine 760W). Alle apparaten werken op 230V. Kunnen deze apparaten aan staan en op dezelfde groep zijn aangesloten?

Slide 45 - Open vraag

In het huis van Jim brandt een lampje tijdens zijn vakantie. Alle andere apparaten staan uit. Voordat Jim 2 weken op vakantie ging stond de kWh-meter op 56.875kWh. Bij terugkomst staat de meter op 56.880kWh. Bereken het vermogen van het lampje in watt. Alleen getal invullen, geen eenheid. Afronden op 1 decimaal.

Slide 46 - Open vraag