Proeftoets H5.1 t/m H5.3 - Bewegen

Oefentoets H5.1 t/m H5.3
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Oefentoets H5.1 t/m H5.3

Slide 1 - Tekstslide

Je mag je aantekeningen en rekenmachine bij deze toets gebruiken.

Je hebt voor deze toets 45 minuten de tijd, daarna wordt de toets afgesloten.

Bij de meeste vragen kun je de afbeelding vergroten.




Open vragen: 

- Rond je antwoord af op een heel getal tenzij anders staat aangegeven bij de opdracht, dan rond je af op het aantal decimalen dat staat aangegeven.

- Vul alleen het getal in zonder de eenheid.

- Gebruik in je antwoord een komma, geen punt.

Belangrijk

Slide 2 - Tekstslide

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen van de snelheid bij een eenparige beweging?
A
de snelheid neemt af
B
de snelheid blijft gelijk
C
de snelheid neemt toe

Slide 3 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de afstand bij
een eenparige beweging?
Wat kan je zeggen over de toename van de afstand bij een eenparige beweging?
A
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds groter
B
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds kleiner
C
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd Blijft gelijk

Slide 4 - Quizvraag

Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.
Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.  Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
A
6,25 km/h
B
22,5 km/h
C
0,567 km/h
D
416,7 km/h

Slide 5 - Quizvraag

Albert maakt een fietstocht van 1 uur en 45 minuten.
Zijn gemiddelde snelheid is 5 m/s.
Wat is de afgelegde afstand van Albert in km?
Albert maakt een fietstocht van 1 uur en 45 minuten. Zijn gemiddelde snelheid is 5 m/s.  Wat is de afgelegde afstand van Albert in km?
A
7,25 km
B
31,5 km
C
26,1 km
D
8,75 km

Slide 6 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Albert doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur. Wat is de gemiddelde snelheid in m/s?

A
3,9 m/s
B
4,8 m/s
C
13,9 m/s
D
17,4 m/s

Slide 7 - Quizvraag

Een sprinter legt de 100 meter af in 10 seconden.
Bereken zijn gemiddelde snelheid in km/h.
Albert legt de 100 meter af in 10 seconden.  Bereken zijn gemiddelde snelheid in km/h.
A
10 km/h
B
36 km/h
C
3,6 km/h
D
1000 km/h

Slide 8 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Bij het serveren haalt de bal van toptennisser Albert een snelheid van 180 km/h. De tennisbal legt een afstand van 20 meter af voordat hij de grond raakt. Bereken de tijd in seconden totdat de bal de grond raakt

Bereken op 1 decimaal nauwkeurig hoeveel seconden de bal over die 20 meter doet.
A
0,1 s
B
0,4 s
C
2,5 s
D
9 s

Slide 9 - Quizvraag

Op zijn driewieler heeft Albert
een gemiddelde snelheid van 40 km/h.
In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
Op zijn driewieler heeft Albert een gemiddelde snelheid van 40 km/h.  In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
A
27 s
B
7,5 s
C
300 s
D
12 s

Slide 10 - Quizvraag

Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand
Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.
Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.  Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
A
772,7 m/s
B
93,5 m/s
C
214,6 m/s
D
59,6 m/s

Slide 11 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Albert heeft van zijn fietstochtje een grafiek van de totale afstand gemaakt. Bereken de gemiddelde snelheid in km/h.
A
6,9 km/h
B
12,5 km/h
C
25 km/h
D
33,3 km/h

Slide 12 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Albert  heeft geen zin om te fietsen, dus maakt hij een lange rit met de auto. Om het half uur heeft hij de totaal afgelegde afstand opgeschreven. Bereken de gemiddelde snelheid in m/s op 1 decimaal nauwkeurig.


A
0,1 m/s
B
2,1 m/s
C
35,4 m/s
D
127,3 m/s

Slide 13 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?
(hij rijdt achteruit)

A
Stilstand
B
Eenparige beweging
C
vertraagde beweging
D
ersnelde beweging

Slide 14 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?

A
Stilstand
B
Eenparige beweging
C
vertraagde beweging
D
versnelde beweging

Slide 15 - Quizvraag

Sleep naar de juiste plaats -1
Afstand (S) = blauw
Snelheid (v) = rood

Slide 16 - Sleepvraag

Sleep naar de juiste plaats -3
Afstand (S) = blauw
Snelheid (v) = rood

Slide 17 - Sleepvraag


Welke beweging is in de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 18 - Quizvraag


Welke beweging is in de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 19 - Quizvraag


Welke beweging is in de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 20 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 21 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 22 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 23 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 24 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 25 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 26 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 27 - Quizvraag

De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
A
0,09 s
B
0,12 s
C
0,15 s
D
geen van deze antwoorden is juist

Slide 28 - Quizvraag

Omrekenen van km/h naar m/s doe je door .....
A
x 3,6
B
: 3,6
C
x 1000
D
: 1000

Slide 29 - Quizvraag

Klaar?
Maak de test jezelfs van H5.1 t/m H5.3.

Ook klaar? Ga vast leren voor je SO!

Slide 30 - Tekstslide