Laagland

Welkom!
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we vandaag doen?
1. Theorie uit laagland herhalen en verdiepen. 
2. Nieuwe theorie leren: fabel en geschiedenis. 
3. De theorie toepassen op je gelezen boeken. 
4. De leeskring voorbereiden. 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Module 1 ging over fictie en non-fictie.
Wat weet je nog?

Slide 3 - Woordweb

Fictie:
- geen echt doel
- geen beschrijving van de werkelijkheid
proza / poëzie / toneel

Non-fictie:
- beschrijving van bestaande situaties
- doel duidelijk
- waar / niet waar
Lesdoel
Ik kan de begrippen uit Laagland toepassen op mijn roman.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Open plekken
Soms roepen tekstpassages vragen op die je als lezer wilt invullen. Open plekken maken een verhaal spannend
Als je aan het einde van de tekst alle open plekken kunt invullen, heeft de tekst een gesloten einde. Als je de tekst helemaal uit hebt en er zijn nog belangrijke open plekken over, dan heeft de tekst een open einde

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spanning
Spanning ontstaat o.a. door een informatieachterstand:
- door een raadsel: de verteller suggereert iets te weten wat lezer en personage niet weten;
- door een geheim: de lezer weet niet wat de verteller en vaak ook het personage wél weten;
- door een dreiging: het personage weet niet wat de verteller en de lezer wel weten. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Jij weet als lezer iets wat een personage niet weet. Er is dan sprake van:
A
een dreiging
B
een geheim
C
een raadsel

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rollen van personages
In een literair werk vind je altijd een hoofdpersoon die in het verhaal een bepaald doel nastreeft. Er kunnen meerdere hoofdpersonen zijn. Zij zijn altijd betrokken bij de belangrijkste gebeurtenissen. Er zijn ook bijpersonen. Zij vervullen de rollen van tegenstanders en helpers, oftewel: zij werken de hoofdpersoon tegen of steunen hem of haar juist. 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Setting: tijd en ruimte
De gebeurtenissen in een verhaal spelen zich af in een bepaalde ruimte, zoals een ziekenhuis, een stad, een kantoor. Ook vinden de gebeurtenissen plaats in een bepaalde tijd, bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog, het heden, 2000. Ruimte en tijd waarin de gebeurtenissen plaatsvinden, noem je setting

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Motieven
Terugkerende elementen in verhalen heten motieven. Als lezer vat je deze elementen op als betekenisvol. 

Een verhaalmotief is het terugkomen van situaties, gevoelens, opvattingen of gebeurtenissen. Een leidmotief is het steeds terugkeren van een bepaald woord of voorwerp. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hoe wordt er verteld? De geschiedenis
Geschiedenisfabel of story =  De geschiedenis van een verhaal in chronologische volgorde gezet. Je doet dat zelf bij het maken van een samenvatting. 

Sujet (plot) = De geschiedenis zoals de schrijver het vertelt (dat is meestal niet-chronologisch).  

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke van onderstaande beweringen is NIET waar?
A
Plot en story van een verhaal zijn altijd hetzelfde.
B
De geschiedenis die wordt verteld, kun je ook wel fabel of story noemen.
C
Een niet-chronologisch verhaal bevat flashbacks en/of flashforwards.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het verhaal
Bij niet-chronologisch vertellen maakt de schrijver gebruik van bijvoorbeeld flashbacks en flashforwards: beschrijvingen die het heden onderbreken en waarin gebeurtenissen in het verleden of juist in de toekomst worden beschreven. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Uit: Hex. Waar zie je in dit fragment een voorbeeld van? 
A
fabel
B
flashback
C
flashforward
D
open plek

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De verteller
De verteller is de instantie die het verhaal, met daarin de geschiedenis, aan de lezer presenteert. Vertellers zijn niet altijd betrouwbaar. 

Er zijn drie typen vertellers: de auctoriale en de personale vertelinstantie en de ik-vertelinstantie

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Analyseren van je recensie
1. Lees de recensie goed door en onderstreep wat je belangrijk vindt.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Analyseren van je recensie
1. Lees de recensie goed door en onderstreep wat je belangrijk vindt.
2. Welke literaire argumenten kun je in de recensie vinden?

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Analyseren van je recensie
1. Lees de recensie goed door en onderstreep wat je belangrijk vindt.
2. Welke literaire argumenten kun je in de recensie vinden?
3. Ken je bepaalde begrippen niet? Zoek ze op in Laagland A.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Analyseren van je recensie
1. Lees de recensie goed door en onderstreep wat je belangrijk vindt.
2. Welke literaire argumenten kun je in de recensie vinden?
3. Ken je bepaalde begrippen niet? Zoek ze op in Laagland A.
4. Klaar? Start met module 3.
     Opdr. 2 (vraag 1), opdr. 3, opdr. 4 (vraag 1, 2, 3, 4 en 6),
     opdr. 6 (vraag 2a t/m g) en opdr 7 (vraag 3, 4 en 5).




Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht maken en inleveren
1 Wat is je eerste reactie na het lezen van het boek?

2 Wat vind je positief aan het boek ?
3 Wat vind je negatief aan het boek ?
4 Wat vind je moeilijk aan het boek?
5 Welke elementen komen steeds terug (motieven)?
6 Waar doet het boek je aan denken?
7 Wat is het sleutelfragment?
8 Wat vind je het mooiste fragment?
9 Vergelijking: Welk vertelperspectief hebben de boeken; welk perspectief spreekt je het meest aan? 10 Vergelijk de thematiek (thema en motieven) van beide boeken; welke spreekt jou het meest aan ?








Af en ingeleverd? 
Maak een samenvatting van Laagland A, module 1.1 t/m 1.3 en module 3.1 t/m 3.4. OF: Zoek citaten/fragmenten in je roman die je kan gebruiken om je antwoorden te onderbouwen tijdens de leeskring.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Is het lesdoel behaald? 
Ik kan de begrippen uit Laagland toepassen op mijn roman.

😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Deze slide heeft geen instructies