Vraag en Aanbod (4e) Samenvatting

Markt
Een markt is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
  • een concrete markt is een plaats
       waar kopers en verkopers bij elkaar
       komen om goederen te verhandelen
  • een abstracte markt is het geheel
       van vraag en aanbod van een
       product of dienst
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Markt
Een markt is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
  • een concrete markt is een plaats
       waar kopers en verkopers bij elkaar
       komen om goederen te verhandelen
  • een abstracte markt is het geheel
       van vraag en aanbod van een
       product of dienst

Slide 1 - Tekstslide

Betalingsbereidheid en consumentensurplus

  • De marktprijs kunnen we verwerken in een grafiek met een horizontale lijn (blauw)!
  • Bij een prijs van € 15 gaan Sabine, Youssef en Sander FIFA kopen, maar Irene en Maze niet.
  • Het verschil tussen de betalingsbereidheid en de prijs noemen we het consumentensurplus!
  • De consument hoeft minder middelen op te offeren dan hij bereid was.
  • Wanneer we al deze individuele meevallers bij elkaar optellen, vinden we het consumentensurplus = € 5 (van Sabine) + € 2,5 (van Youssef) + € 0 (van Sander) = € 7,5 
  • Omzet = € 15 x 3 = € 45
  • Hoe groter het surplus, hoe efficiënter de uitkomst (= welvaart), zij kunnen met het surplus immers iets anders kopen.

Slide 2 - Tekstslide

Vraagfunctie
Wat is het verband tussen de prijs (P = oorzaak)
en de gevraagde hoeveelheid (Qv = gevolg)?

Dit is een negatief verband omdat als de prijs (P)
daalt, de gevraagde hoeveelheid (Qv) stijgt en als de
prijs (P) stijgt, de gevraagde hoeveelheid (Qv) daalt.

Vraagfunctie: Qv = -20P + 324

Let op: hoeveelheid (Q) op de horizontale as,
               en de prijs (P) op de verticale as!

Slide 3 - Tekstslide

Vraagfunctie (tekenen)
Teken de vraagfunctie: Qv = -20P + 324

1. Assenstelsel, horizontale en verticale as?
  • Q (hoeveelheid) altijd op de horizontale as!
  • P (prijs) altijd op de verticale as!
2. Wat je nodig om een (rechte) lijn te tekenen?
  • 2 punten!
3. Punt 1: vul 0 in voor P, en bereken Qv!
  • Qv = -20 x 0 + 324 = 324                                                             (324; 0)
4. Punt 2. vul 0 in voor Qv,, en bereken P!
  • 0 = -20P + 324 => 20P = 324 => P = 324 / 20 = € 16,20  (0; 16,2)

Slide 4 - Tekstslide

Vraagfactoren
  • Verschuiving langs de vraaglijn:
        1. prijs (p)
  • Verschuiving van de vraaglijn (zie figuur rechts)
       2. inkomen (van de consumenten)
       3. bevolkingsomvang (aantal consumenten)
       4. behoefte (voorkeur van de consumenten)
       5. prijzen van substitutie (vervangende) goederen
       6. prijzen van complementaire (aanvullende) goederen

Bij de vraaglijn neem je altijd aan dat alle andere vraag factoren (dan de prijs) die de vraag beïnvloeden niet veranderen (gelijk blijven) = ceteris paribus voorwaarde, alleen de prijs wijzigt!

Slide 5 - Tekstslide

Verkoopbereidheid en producentensurplus

  • De marktprijs kunnen we verwerken in een grafiek met een horizontale lijn (blauw)!
  • Bij een prijs van € 50 gaan Oman, Ruslan en Noordzee het product aanbieden, maar Diepzee en Poolkappen niet.
  • Het verschil tussen de verkoopbereidheid en de prijs noemen we het producentensurplus!
  • De fabrikant / verkoper krijgt een hogere prijs dan de minimale prijs die hij er eigenlijk voor wilde hebben.
  • Wanneer we al deze individuele meevallers bij elkaar optellen, vinden we het producentensurplus = € 25 (van Oman) + € 10 (van Rusland) + € 0 (van Noordzee) = € 35 
  • Omzet = € 50 x 3 = € 150
  • Hoe groter het surplus, hoe efficiënter de uitkomst (= welvaart), zij kunnen het surplus immers toevoegen aan het resultaat.

Slide 6 - Tekstslide

Aanbodfunctie
Wat is het verband tussen de prijs (P = oorzaak)
en de aangeboden hoeveelheid (Qa = gevolg)?

Dit is een positief verband omdat als de prijs (P)
daalt, de aangeboden hoeveelheid (Qa) daalt en als de
prijs (P) stijgt, de aangeboden hoeveelheid (Qa) stijgt.

Aanbodfunctie: Qa = 5P - 25

Let op: hoeveelheid (Q) op de horizontale as,
               en de prijs (P) op de verticale as!

Slide 7 - Tekstslide

Aanbodfactoren
  • Verschuiving langs de aanbodlijn:
       1. prijs (p)
  • Verschuiving van de aanbodlijn (zie figuur rechts):
       2. productiekosten per stuk (kostprijs)
       3. aantal aanbieders




Bij de aabodlijn neem je altijd aan dat alle andere aanbodactoren (dan de prijs) die het aanbod beïnvloeden niet veranderen (gelijk blijven) = ceteris paribus voorwaarde, alleen de prijs wijzigt!

Slide 8 - Tekstslide

Marktevenwicht
In een perfect werkende markt gaat de markt op zoek
naar het marktevenwicht. Dat is de prijs (P) waarbij vraag
en aanbod in evenwicht zijn (Qv = Qa).

Gegeven: vraagfunctie     Qv = -4P + 100
                     aanbodfunctie Qa = 5P - 25
Bereken het marktevenwicht (Qv = Qa) en de omzet daarbij.
  • -4P + 100 = 5P - 25 => -4P - 5P = -25 - 100 => -9P = -125 => P = -125 / -9 => P = € 13,89
  • vul P in Qv = -4 x € 13,89 + 100 => Qv = 44,44 of Qa = 5 x € 13,89 -25 = 44,44
  • omzet = p x q = € 13,89 x 44 = € 611,16

Slide 9 - Tekstslide

Belangrijke termen
  • Maximale betalingsbereidheid = € 50 (Qv = 0)


  • Consumentensurplus = (30 x € 25) x 0,5 = € 375


  • Evenwichtsprijs = € 25 (Qv = Qa)

  • Producentensurplus = (30 x € 15) x 0,5 = € 225

  • Minimale verkoopbereidheid = € 10 (Qa = 0)

Slide 10 - Tekstslide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=ProcentueleVeranderingPrijsProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid

Slide 11 - Tekstslide

Prijselasticiteit en omzet
volkomen inelastische vraag


relatief inelastische vraag

-

relatief elastische vraag


-

Slide 12 - Tekstslide

Kruislingse elasticiteit (Ek)


Ek = %Δq(a) / %Δp(b)
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
KruislingsePrijsElasticiteitVanDeVraag(Ek)=ProcentueleVeranderingPrijsBProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheidA

Slide 13 - Tekstslide

Inkomenselasticiteit (Ey)


Ey = %Δq / %Δy
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
InkomensElasticiteitVanDeVraag(Ey)=ProcentueleVeranderingInkomenProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid

Slide 14 - Tekstslide

Kosten, opbrengsten en winst
p       = prijs (price)
q       = hoeveelheid (quantity) = afzet
TO    = Totale Opbrengst = omzet = p x q
TCK = Totale Constante Kosten (onafhankelijk van q) = CK
TVK = Totale Variabele Kosten (afhankelijk van q) = VK x q
TK    = Totale Kosten = TCK + TVK
TW   = Totale Winst = TO - TK

Slide 15 - Tekstslide

Totale Kosten (TK)
Auto (2e hands): € 10.000
Benzinekosten per rit: € 10
Loonkosten per rit: € 20
q (afzet) = aantal ritten per maand (x-as)

TCK =
  • Totale Constante Kosten = 10.000 
TVK =
  • Totale Variabele Kosten = 30q
TK =
  • Totale Kosten = 10.000 + 30q 

Slide 16 - Tekstslide

Gemiddelde Kosten
Gemiddelde = totaal / aantal

GCK = Gemiddelde Contante Kosten = TCK / afzet (q)
GVK = Gemiddelde Variabele Kosten = TVK / afzet (q)
GTK = Gemiddelde Totale Kosten = TK / afzet (q) = GCK + GVK

Waarom blijft de GVK gelijk als de afzet (q) toeneemt?
  • de variabele kosten zijn hier proportioneel: per product blijven de variabele kosten gelijk

Waarom daalt de GCK (en GTK) als de afzet (q) toeneemt?
  • je kunt de TCK over meer producten verdelen: per product dalen de constante kosten

Slide 17 - Tekstslide

Kosten, opbrengsten en winst
Welke lijn is de Totale Opbrengst functie?
  • de groene lijn
Hoeveel is de verkoopprijs?
  • p = richtingscoëfficient van de TO = ∆TO / ∆q
  • p = € 150 (bv € 90.000 / 600)
Hoeveel is de TO? 
  • TO = Totale Opbrengst
  • TO = 150q
 Hoeveel is de TK?
  • TK = Totale Kosten = TCK + TVK
  • TK = 20.000 + 100q
Hoeveel is de Totale Winst (TW)?
  • TW = TO - TK
  • TW = 150q - (20.000 + 100q)
  • TW = 50q - 20.000

Slide 18 - Tekstslide

Break-evenpunt
Het break-evenpunt van een onderneming is de omzet die een bedrijf moet genereren om in financieel evenwicht te zijn. Op het break-even punt zijn de kosten en de opbrengsten voor een onderneming gelijk. De onderneming maakt op het break-evenpunt geen winst of verlies met de productie en de verkoop van een product.

Wat is links het Break-evenPunt (BEP)?
  • snijpunt bij TO = TK
Wat is links de Break-evenAfzet (BEA)?
  • q bij TO = TK
  • BEA = 400
Wat is links de Break-evenOmzet (BEO)?
  • p x q bij TO = TK
  • BEO = € 60.000

Slide 19 - Tekstslide

Kosten, opbrengsten en winst
Hoeveel is de TO?
  • TO = 150q
 Hoeveel is de TK?
  • TK = 20.000 + 100q
Hoeveel is de TW?
  • TW = TO - TK = 50q - 20.000
Hoeveel is de BEA?
  • BEA = Break-EvenAfzet = q bij TO = TK
  • 150q = 20.000 + 100q
  • 50q = 20.000
  • q = 400 (winst = 0)
  • of TW = 0 = 50q - 20.000 => q = 400
Hoeveel is de BEO?
  • BEO = Break-EvenOmzet = p x q bij TO = TK
  • BEO = 150 x 400 = 60.000 (winst = 0)

Slide 20 - Tekstslide

Gemiddelde kosten, opbrengsten en winst
Gemiddelde = totaal / aantal

GCK = Gemiddelde Contante Kosten = TCK / afzet (q)
GVK = Gemiddelde Variabele Kosten = TVK / afzet (q)
GTK = Gemiddelde Totale Kosten = TK / afzet (q) = GCK + GVK
GO   = Gemiddelde Opbrengst = TO / afzet (q) = p
GW  = Gemiddelde Winst = TW / afzet (q) = GO - GTK

Break-EvenPunt (BEP) bij:
  • TO = TK (of TW = 0) en 
  • GO = GTK (of GW = 0)

Slide 21 - Tekstslide

Break-even punt

Slide 22 - Tekstslide

Afkortingen en formules
p =
q =
TO =
TCK = 
TVK = 
TK = 
TW =

GO =
GCK =
GVK =
GTK =
GW = 

BEP = 
BEA =
BEO =
  • prijs (price)
  • hoeveelheid (quantity) = afzet
  • Totale Opbrengst = omzet = p x q
  • Totale Constante Kosten (onafhankelijk van q) = CK
  • Totale Variabele Kosten (afhankelijk van q) = VK x q
  • Totale Kosten = TCK + TVK
  • Totale Winst = TO - TK

  • Gemiddelde Opbrengst = TO / afzet (q) = p
  • Gemiddelde Contante Kosten = TCK / afzet (q)
  • Gemiddelde Variabele Kosten = TVK / afzet (q)
  • Gemiddelde Totale Kosten = TK / afzet (q) = GCK + GVK
  • Gemiddelde Winst = TW / afzet (q) = GO - GTK

  • Break Even Punt (TO = TK)
  • Break Even Afzet (q bij TO = TK)
  • Break Even Omzet (p x q bij TO = TK)

Slide 23 - Tekstslide

Doelstelling onderneming
Doelstelling 1: Kostendekking
  • Break-evenpunt analyse
  • TO = TK of GO = GTK


Doelstelling 2: Omzetmaximalisatie
  • Marginale analyse
  • MO = 0

Doelstelling 3: Winstmaximalisatie
  • Marginale analyse
  • MO = MK


Slide 24 - Tekstslide

Marginale analyse
MO = Marginale Opbrengst
  • extra opbrengst als er één extra product verkocht wordt
  • MO = ∆TO / ∆q
  • MO = GO = p (bij een vaste verkoopprijs!)

MK = Marginale Kosten
  • extra kosten als er één extra product gemaakt wordt
  • MK = ∆TK / ∆q
  • MK = GVK (bij proportioneel variabele kosten!)

MW = Maximale Winst bij q als MO = MK!

TW = TO - TK (maximale winst bij grootste verschil tussen TO en TK)
GW = GO - GTK (maximale winst bij grootste verschil tussen GO en GTK)

Slide 25 - Tekstslide

Verloop van kosten
Als MK < GVK, dan dalen de GVK
Als MK > GVK, dan stijgen de GVK
Als MK = GVK, dan blijven de GVK gelijk


Als GVK stijgen, dan spreken van progressief variabele kosten
Als GVK dalen, dan spreken van degressief variabele kosten
Als GVK gelijk blijven, dan spreken van proportioneel variabele kosten

Slide 26 - Tekstslide

Maximale Winst (stappen)

Slide 27 - Tekstslide