Spelling paragraaf 5

Spelling paragraaf 5
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Spelling paragraaf 5

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Je leert op welke manier woorden korter worden geschreven.
Je kunt afkortingen, letterwoorden, initiaalwoorden, verkortingen en symbolen herkennen en benoemen.

Slide 2 - Tekstslide

Spelling par. 5
- afkorting

- letterwoord
- initiaalwoord
- verkorting
- symbool



Slide 3 - Tekstslide

Afkorting

Een afkorting schrijf je met 1 of meer punten.

Je gebruikt een hoofdletter als die ook in het afgekorte woord voorkomt. Je spreekt de hele woorden uit bij het voorlezen.

Voorbeelden:

- bijvoorbeeld: bv. of bijv.

- met andere woorden: m.a.w.

- Zijne Majesteit: Z.M.

Slide 4 - Tekstslide

Letterwoord

Een letterwoord bestaat uit de eerste letters van het woord of een woordgroep. Je spreekt het ook uit als een woord. Je schrijft de letterwoorden zonder punten en als in het oorspronkelijke woord een hoofdletter voorkomt, dan gebruik je die in het letterwoord ook.

voorbeelden:

- vip (je spreekt de letters niet afzonderlijk uit, maar als woord)

- mavo (je spreekt het als woord uit)

-NASA: National Aeronautics and Space Administration



Slide 5 - Tekstslide

Initiaalwoord

Bij een initiaalwoord spreek je de letters wel afzonderlijk uit. Er komen geen punten tussen de letters. Als het woord met een hoofdletter wordt geschreven, dan schrijf je het initiaalwoord ook met een hoofdletter.  

Voorbeelden:

- pc (personal computer)

- NS (Nederlandse Spoorwegen)

Slide 6 - Tekstslide

Verkorting

Een verkorting is opgebouwd uit één of meer delen van het woord. Je spreekt een verkorting uit als woord en niet als losse letters.

Voorbeelden:

- info (informatie)

- prof (professor)

Slide 7 - Tekstslide

Symbool

Met een symbool wordt een wetenschappelijk begrip, een eenheid of een valuta genoteerd. Je spreekt het symbool uit als het woord waar het voor staat.

Een symbool schrijf je soms met en soms zonder hoofdletter. Dat ligt aan het woord als je het voluit schrijft. Een symbool schrijf je zonder punt.

Voorbeelden:

- $ (dollarteken)

- km (kilometer)


Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 1 en 2 klassikaal, blz. 252
  • a letterwoord: National Aeronautics and Space Administration
  • b afkorting: met betrekking tot
  • c symbool: vierkante meter
  • d verkorting: gymnastiek
  • e symbool: milliampère-uur
  • f letterwoord: United Nations International Children's Emergency Fund
  • g initiaalwoord: digital versatile disk
  • h verkorting: informatie
  • i afkorting: per persoon

Slide 9 - Tekstslide

Maak opdracht 3 t/m 5
Noteer bij opdracht 3  en 4 ook op welke manier het woord korter wordt geschreven (afkorting, letterwoord, enz.)
Bij opdracht 4 staat een drukfout (a t/m e staan er 2 keer in).

Deze opdrachten gaan we zo bespreken.

Slide 10 - Tekstslide