Het aanwijzend voornaamwoord
Zelfstandig gebruiken (use individually)
Het meisje daar heeft een rode jas, maar dit draagt een blauwe een jas.
De leerlingen van klas A3 werken hard, maar deze werken nog harder.
Jouw huis (het) in de bergen vind ik mooi, maar dat daar vind ik mooier.
Die jongen (de) vind ik erg aardig, maar deze vind ik leuker.