verleden tijd en wederkerende voornaamwoorden

verleden tijd en wederkerende voornaamwoorden
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

verleden tijd en wederkerende voornaamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

welk werkwoord staat in de verleden tijd?
A
maakte
B
deed
C
waren
D
wandelde

Slide 2 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor zwak werkwoord?
A
sterk werkwoord
B
persoonsvorm
C
regelmatig werkwoord

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor een sterk werkwoord?
A
onregelmatig werkwoord
B
moeilijk werkwoord
C
werkwoordelijk gezegde

Slide 4 - Quizvraag

leunen:
Gisteren ...................... wij op de houten tafels.
A
leunden
B
leunten
C
leunde
D
loenen

Slide 5 - Quizvraag

niezen:
Gisteren ............... hij wel 10 keer.
A
noos
B
niezte
C
nieste
D
niesde

Slide 6 - Quizvraag

onderzoeken:
Gisteren ............... de arts de patiënt heel nauwkeurig.
A
onderzoekte
B
onderzoekde
C
onderzocht
D
onderziet

Slide 7 - Quizvraag

vechten:
Gisteren.............. wel 4 jongens met elkaar!
A
vechtten
B
vochten
C
vechten
D
vochtten

Slide 8 - Quizvraag

sporten:
Gisteren ....................... jullie wel 60 minuten fanatiek.
A
sporten
B
sparten
C
sportten
D
sporte

Slide 9 - Quizvraag

In welke zin zie je een wederkerend voornaamwoord?
A
Hij wast zijn handen met zeep.
B
Hij wast zich met een washandje.
C
Hij wast vandaag zijn kleding.

Slide 10 - Quizvraag

Jij herinnerde ........ wel dat je huiswerk had moeten maken.
A
-----
B
jij
C
je
D
zich

Slide 11 - Quizvraag

Hij snijdt .................. met het scherpe mes.
A
---------
B
zich
C
hem
D
je

Slide 12 - Quizvraag

Hij snijdt ......... het vlees in kleine stukken.
A
-----
B
zich
C
hem
D
je

Slide 13 - Quizvraag

Bij welk werkwoord hoort GEEN wederkerend voornaamwoord?
A
bemoeien
B
vragen
C
vergissen
D
herinneren

Slide 14 - Quizvraag