Rivierkleilandschap

Rivierkleilandschap
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 11 min

Onderdelen in deze les

Rivierkleilandschap

Slide 1 - Tekstslide

Rivierkleilandschap kom je tegen in Hoog-Nederland.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 2 - Quizvraag

Waarom bouwden mensen vroeger kerken of schuren op heuvels in het rivierkleilandschap?
A
Om het landschap mooier te maken
B
Voor een beter uitzicht op de weilanden
C
Om zich te beschermen tegen overstromingen
D
Om de grond te stabiliseren

Slide 3 - Quizvraag

Welke kenmerken heeft het rivierkleilandschap?
A
Grasland, fruitbomen, dijken
B
Grasland, natuurgebeiden, hoogteverschillen
C
Grasland, rechte kanalen, weiland
D
Hoogteverschillen, akkers en bos

Slide 4 - Quizvraag

Zeekleilandschap en rivierkleilandschap is hetzelfde.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Rivierkleilandschappen
A
Ontstaan door overstromingen van de zee
B
Ontstaan door buiten oevers treden van rivieren

Slide 6 - Quizvraag

Welke grondstof vind je in de buurt van rivieren?
A
Zandlandschap
B
Rivierkleilandschap

Slide 7 - Quizvraag

Het rivierkleilandschap hoort bij
A
Laag-Nederland
B
Hoog-Nederland

Slide 8 - Quizvraag

Wat is geen kenmerk van een rivierkleilandschap?
A
Fruitbomen.
B
Akkers.
C
Grasland.
D
Hoge dijken.

Slide 9 - Quizvraag

De komgronden liggen dicht bij de rivier.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de
komgrond?
A
Bij de letter A
B
Bij de letter B

Slide 11 - Quizvraag

Het kleioppervlakte in de komgronden zakt lang en langzaam naar beneden. Dit noem je...
A
Verzakken
B
Inklinken
C
Verzinken
D
Inzakken

Slide 12 - Quizvraag

Waar wonen van oudsher de meeste mensen in het rivierengebied?
A
Komgronden
B
Uiterwaarden
C
Oeverwallen

Slide 13 - Quizvraag

De grond in de komgronden is veel natter dan dat van de oeverwallen.
A
juist
B
onjuist

Slide 14 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding. Het dorpje staat op de:
A
Komgrond
B
Oeverwal
C
Uiterwaard

Slide 15 - Quizvraag

Komgronden liggen lager door:
A
klei is plakkerig
B
klei klinkt in

Slide 16 - Quizvraag

de komgronden bestaan uit:
A
Zand
B
Grind
C
Veen
D
Klei

Slide 17 - Quizvraag

Waarom liggen komgronden (klei) lager dan oeverwallen (zand)
A
Kleikorreltjes zijn kleiner dan zand
B
Klei verliest volume (inklinking)
C
Er is minder sediment afgezet in de komgrond
D
Mika is een kleibeuker en heeft de komgrond in elkaar getrapt

Slide 18 - Quizvraag

Welke letter geeft de komgrond aan?
A
Letter A
B
Letter B

Slide 19 - Quizvraag

Zet de bodemsoorten op de juiste plaats in de kaart.
Zand
Löss
Rivierklei
Zeeklei
(Hoog)veen
(Laag)veen

Slide 20 - Sleepvraag

Hoog-Nederland
Laag-Nederland
Hoog- en Laag-Nederland.
Löss
Duinzand
Zeeklei
Veen
Rivierklei
Zand

Slide 21 - Sleepvraag