DO-01 werkwoord zouden deel II

Welkom! 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 75 min

Onderdelen in deze les

Welkom! 

Slide 1 - Tekstslide

Het werkwoord 'zouden'
 1. Wat weet je nog?
     Opdracht: Bespreek samen hoe je 'zouden' kunt gebruiken. 
2. Instructie/uitleg
    Wat zijn de functies van het werkwoord 'zouden'.
3. Oefenen
    Opdracht A: zoek de twee delen bij elkaar. 
    Opdracht B: schrijf zinnen met 'zouden'.
    Opdracht C: zouden gebruiken in de praktijk.
4. Terugkijken

Slide 2 - Tekstslide

Doelen: Aan het eind van deze les ...
- weet je in welke situatie je het werkwoord 'zouden' gebruikt. 

- kun je 'zouden' op de goede manier gebruiken in zinnen. 

- kun je vijf zinnen met 'zouden' buiten de school gebruiken. 

Slide 3 - Tekstslide

Het werkwoord 'zouden'
Ik zou
Jij zou
Hij / zij / het zou
U zou
Wij zouden
Jullie zouden
Zij zouden

  • Zouden is een hulpwerkwoord. ​
  • Zouden staat daarom nooit als enige​ werkwoord in een zin.





Slide 4 - Tekstslide

1. Wat weet je nog?
Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zouden' is in de zinnen.



1. Zou je de deur open willen doen?
2. Als ik een miljoen zou winnen, zou ik een Ferrari kopen.
3. Ik zou graag een kopje thee willen.
4. Als ik jou was, zou ik minder suiker eten.
5. Je zou naar de dokter kunnen gaan. 
6. Als ik vleugels had, zou ik naar Spanje vliegen. 
timer
5:00

Slide 5 - Tekstslide

Antwoorden
Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zouden' is in de zinnen.


1. Zou je de deur open willen doen? Beleefde vraag
2. Als ik een miljoen zou winnen, zou ik een Ferrari kopen. Fantasie (irrealis) 
3. Ik zou graag een kopje thee willen. Wens (en beleefd verzoek) 
4. Als ik jou was, zou ik minder suiker eten. Advies
5. Je zou naar de dokter kunnen gaan. Advies
6. Als ik vleugels had, zou ik naar Spanje vliegen. Fantasie (irrealis)

Slide 6 - Tekstslide

2. Wanneer gebruik je 'zouden' ? 
  1. Advies
  2. Fantasie / Irrealis (geen realiteit)
  3. Beleefd / beleefde vraag 






Slide 7 - Tekstslide

1. Advies
Je kunt met "zouden" een advies geven.​


​De zin bestaat uit:​ Als ik jou was, zou ik .......... + ander werkwoord​
                              Je zou ... / ik zou ... 

​Bijvoorbeeld:​
  • Als ik jou was, zou ik naar de dokter gaan.
  • Je zou naar de dokter moeten gaan.
  • Als ik jullie was, zou ik naar Berlijn gaan.
  • Jullie zouden naar Berlijn kunnen gaan.

Slide 8 - Tekstslide

2. Fantasie / Irrealis (geen realiteit)
Je kunt met zouden iets beschrijven wat geen werkelijkheid is.​


De zin bestaat uit:​ Als ik .... zou + ander werkwoord, zou ik ........
      

​Bijvoorbeeld:​
  • Als ik een miljoen euro zou hebben, zou ik heel vaak op vakantie gaan.​
  • Als ik goed kon voetballen, zou ik bij Feijenoord willen spelen.



Slide 9 - Tekstslide

3. Beleefde vraag
Je kunt zouden gebruiken om een beleefde vraag te stellen. ​


De zin bestaat uit:​ ‘zouden’ + kunnen / willen / mogen + infinitief

​Bijvoorbeeld:​
  • Zou ik even mogen bellen?
  • Zou u de deur even voor mij open kunnen doen?​
  • Zouden jullie op mij willen wachten?​



Slide 10 - Tekstslide

4. Wens
Je kunt met zouden vertellen wat je graag wilt / een wens uitspreken.


​De zin bestaat uit:​ ‘zouden’ + willen + (infinitief ander werkwoord​)
                              Je kunt het woord graag' gebruiken

​Bijvoorbeeld:​
  • Ik zou graag een nieuwe broek willen kopen.​
  • Ik zou volgend jaar graag minder willen werken.
  • Ik zou graag een kopje koffie willen (wens, maar ook beleefd verzoek) 



Slide 11 - Tekstslide

Opdracht A
Opdracht: Zoek de twee delen van de zin bij elkaar. Schrijf de zinnen in je schrift. 
Klaar? Vergelijk in duo's de antwoorden. 


timer
5:00
1. Zou ik 
2. Als ik een goed betaalde baan had, zou ik 
3. Ik zou graag
4. Als ik jou was, zou ik
5. Ik zou
6. Jullie zouden


a. een elektrische fiets willen.
b. stoppen met roken.
c. vaker op vakantie gaan.
d. een klacht moeten indienen.
e. een pen van je kunnen lenen?
f. niet naar dat restaurant gaan als ik jou was.

Slide 12 - Tekstslide

Antwoorden
Opdracht: Zoek de twee delen van de zin bij elkaar. Schrijf de zinnen in je schrift. 
Klaar? Vergelijk in duo's de antwoorden. 

1. Zou ik 
2. Als ik een goed betaalde baan had, zou ik 
3. Ik zou graag
4. Als ik jou was, zou ik
5. Ik zou
6. Jullie zouden
e. een pen van je kunnen lenen?
c. vaker op vakantie gaan.
a. een elektrische fiets willen.
b. stoppen met roken.
f. niet naar dat restaurant gaan als ik jou was.
d. een klacht moeten indienen.





Slide 13 - Tekstslide

5. Niet nagekomen afspraak/plan/belofte 
Je kunt met zouden vertellen wat je van plan was, maar wat niet is gebeurd. 


​De zin bestaat uit:​ ‘zouden’ + infinitief
                            
​Bijvoorbeeld:​
  • Ik zou mijn huiswerk maken, maar ik heb het niet gedaan. 
  • Jij zou toch het cadeau voor Jacob kopen?  
  • Hij zou hier om 17:00 uur zijn, maar hij is er niet. 
  • Jullie zouden de borden afwassen! 



Slide 14 - Tekstslide

6. Onzekerheid / iets wat je je afvraagt 
Je kunt met zouden een onzekerheid uitdrukken. 


​De zin bestaat uit:​ ‘zouden’ + infinitief                    

​Bijvoorbeeld:​
  • Zou het morgen gaan regenen?
  • Ik heb het koud en ik moet hoesten. Zou ik ziek worden? 
  • Zou Karla het leuk hebben op vakantie?
  • Hij heeft de bus gemist, zou hij nog op tijd komen? 
  • Hoe oud zou de man zijn? 


Slide 15 - Tekstslide

Opdracht B
Opdracht: Gebruik  'zouden' in de verschillende functies. 
                  Schrijf met elke functie een zin.
                  Bespreek je zinnen met een andere cursist.

  1. Advies
  2. Fantasie / Irrealis
  3. Beleefd / beleefde vraag 
  4. Extra: Wens - Niet nagekomen afspraak - Onzekerheid
timer
14:00

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht C
Opdracht: Gebruik 'zouden' in verschillende situaties buiten de school.

Schrijf vijf zinnen met 'zouden' die jij buiten de school kunt gebruiken. 

Neem het lijstje met de zinnen mee naar huis.

Zet een kruisje als je de zin hebt gebruikt.

Noteer ook waar/in welke situatie je de zin gaat gebruiken. 



Slide 17 - Tekstslide

Noem de functies van het werkwoord 'zouden'.

Slide 18 - Open vraag

Ik weet in welke situatie ik het werkwoord "zouden" kan gebruiken.
0                                          5                                        10

Slide 19 - Tekstslide

Ik kan "zouden" op de goede manier gebruiken in een zin. 
0                                          5                                        10

Slide 20 - Tekstslide

Ik kan zinnen met "zouden" gebruiken in situaties buiten de school. 
0                                          5                                        10

Slide 21 - Tekstslide